Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 26 oktober 2008
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Liturgie

Aanvangslied
Psalm 138:1, 2
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering
Lied
Psalm 138:3, 4
Kyrie
Gloria
Gezang 458:1, 2, 3, 6
Gebed om verlichting met de heilige Geest
Schriftlezing
Lied
Psalm 1
Schriftlezing
Schriftlezing
Lied
Gezang 445
Verkondiging
Lied
Psalm 119:1, 5, 6
Gebeden
Inzameling van de gaven
Slotlied
Er is een stad voor vriend en vreemde, Evangelische Liedbundel, lied 194
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De Bijbel, is dat Woord van God of zijn het woorden van mensen? Is het een geschiedenisboek, een wetboek, een sprookjesboek of is het het Boek van de blijde boodschap? Is het literatuur, poëzie of proza, of geeft het op de een of andere manier richting aan uw leven? Wordt u aangeraakt door de woorden van de Bijbel? Is de Bijbel voor u een gesprekspartner, een lotgenoot, een reisgenoot, of laat u de Bijbel liever links liggen? Is de Bijbel een bron van vreugde, een confronterend boek, een hulp in moeilijkheden, of is het een verspilling van papier?

Nu zou ik u kunnen vertellen hoe u de Bijbel moet zien, hoe u de Bijbel moet gebruiken en hoe u volgens de Bijbel moet leven en geloven. Maar dat doe ik niet, want ik kán en mág u niet vertellen hoe en wat u moet geloven. Niemand kan en mag u vertellen hoe en wat u moet geloven. Uw geloof is een zaak tussen u en God. Maar ik kan u wél vertellen wat de Bijbel zegt over geloven. In Psalm 1 staat bijvoorbeeld hoe wij met de Bijbel moeten omgaan.

Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters; maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.” Zo begint Psalm 1 in de NBG-vertaling van 1951. Ik lees nog een andere vertaling van het begin van diezelfde psalm: de Statenvertaling van 1637. “WElgelucksalich is de man, die niet en wandelt in den raet der godtloosen, noch staet op den wech der sondaren, noch sitt in’t gestoelte der spotteren. Maer sijn lust is in des HEEREN wet, ende hy overdenckt sijne wet dach ende nacht.”

Gelukkig de mens die [...] vreugde vindt in de wet van de heer en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.” Zo beschrijft Psalm 1 de verhouding tussen de gelovige en de Bijbel. Als je je als gelovige verdiept in de Bijbel, die overpeinst bij dag en bij nacht, dan ben je een gelukkig mens. Let wel: er staat niet dat je je in de Bijbel móét verdiepen, er staat dat áls je je in de Bijbel verdiept, dat je dan een gelukkig mens wordt. Ziet u: zo zijn we er al een beetje mee bezig om ons in de Bijbel te verdiepen. We zijn al een beetje aan het nadenken – aan het overpeinzen, zo u wilt – wát er nou precies staat.

En dat overpeinzen heeft direct ook betrekking op ons leven. “Gelukkig de mens...” Ja, maar wacht eens even. In De Nieuwe Bijbelvertaling staat wel “mens”, maar in de oudere vertalingen – en ook in de nieuwe Grunneger Biebel – staat op die plaats “man”. Vrouwen werden zeker vroeger – en ook nu nog in het Gronings – te dom geacht om de Bijbel te overpeinzen. Zo worden in één klap alle vrouwen uitgesloten van het nadenken over de Bijbel. Of toch niet? Onze overpeinzingen moeten zich dan op de originele tekst richten. In het Hebreeuws staat daar isj, en dat betekent “man”. Er staat niet isja, “vrouw”, of, zoals dat vroeger wel vertaald werd: “mannin”. Maar kijken we dan in het Hebreeuwse woordenboek, dan zien we dat isj weliswaar “man” betekent, maar ook “mens” kan betekenen. En dat sluit alle vrouwen dus weer in.

Zo heeft dat overpeinzen van de Bijbel direct betrekking op ons leven. Nu kunt u natuurlijk zeggen dat het muggenzifterij is om dat ene woordje te overpeinzen. U denkt misschien stiekem wel: wat een kommaneuker is die man! En toch zijn kleine woordjes vaak van groot belang. In de zeventiende eeuw kwam er in Engeland een nieuwe druk van de Bijbel uit. Die Bijbel ging men al gauw De verdorven Bijbel noemen. Waarom? Er ontbrak aan de hele Bijbel maar één woordje, een ontkenning, aan de tien geboden. Negen van de tien geboden klopten als een bus, maar uit het zevende gebod was het woordje geen weggevallen. Daar stond nu dus: “Gij zult overspel plegen.” Wat een verschil één woordje kan maken!

Tot nu toe hebben onze overpeinzingen ertoe geleid dat we een beter begrip van de Bijbel kregen. Maar de voorbeelden waren nogal gemakkelijk. Maar nu we toch bij de tien geboden zijn aanbeland: wat moeten we bijvoorbeeld denken van het gebod Gij zult niet doodslaan? De Nieuwe Bijbelvertaling zegt daar dan: “Pleeg geen moord.” Maar wat wordt daar precies mee bedoeld? Dat je in geen enkel geval een ander mens mag doden? Maar hoe kan het dan dat de SGP, de Staatkundig Gereformeerde Partij, vóór de invoering van de doodstraf is? Ergens anders in de Bijbel staat: “Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt.” En daarom is de SGP vóór de doodstraf. Maar mij klinkt dat weer een beetje in de oren als Oog om oog, tand om tand. En daarover zei Jezus toch het volgende: “Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: ‘Een oog voor een oog en een tand voor een tand.’ En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.” Moeten we dan vóór of juist tégen de doodstraf zijn?

En dan is de doodstraf nog redelijk ver van ons bed, maar wat dacht u van abortus en euthanasie? Zeker met euthanasie krijgen we allemaal weleens direct of indirect te maken. Maar betekent Pleeg geen moord dan ook dat euthanasie uit den boze is? Moeten we mensen eindeloos laten lijden omdat een van de tien geboden de zachte dood in de weg staat?

Een ander moeilijk voorbeeld. Ergens in Leviticus staat: “Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten.” Betekent dit nu dat we alle homo’s over de kling moeten gaan jagen? Of dat we ernstig met hen moeten gaan praten over hun levenswandel zoals de ChristenUnie dat doet?

We overpeinzen de wet, maar vaak komen we er niet goed uit. De één vindt dit, de ander dat. Uitleg van de Bijbel is meestal moeilijk. Maar er is zelfs nog een overtreffende trap van moeilijk. In Psalm 110 schrijft koning David de volgende tekst: “De heer spreekt tot mijn heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, ik maak van je vijanden een bank voor je voeten.’” “De heer spreekt tot mijn heer...” Die eerste heer, de heer die spreekt, dat is God. Maar wie is dan die tweede heer, de heer tot wie God spreekt? Volgens de Farizeeën is dat de messias, degene die Israël zou bevrijden van het Romeinse juk. En als Jezus hun dan vraagt wie die messias is, dan zeggen ze: “De messias is Davids zoon.” En dan vraagt Jezus fijntjes aan die Farizeeën: “Maar waarom zou David zijn eigen zoon dan Heer noemen?” Jezus wil hiermee zeggen dat Hij niet alleen de zoon van David is, maar ook de Zoon van God. Maar die uitleg van Psalm 110 is volkomen nieuw voor de Farizeeën. En zelfs de Farizeeën, kenners van de wet bij uitstek, staan dan met hun mond vol tanden. Zelfs zij begrijpen hun eigen Bijbel niet meer.

Dus als ook wij de Bijbel soms niet zo goed begrijpen, dan zijn we in goed gezelschap. De Bijbel is dikwijls een onbegrijpelijk boek. Maar wat moeten we dan met onze overpeinzingen? Wij bevinden ons maar al te vaak in de positie van de Ethiopiër die in zijn reiswagen de profeet Jesaja zat te lezen. Hij las de woorden, hij begreep de woorden, hij begreep zelfs de zinnen, maar hij begreep totaal niet waar ze op sloegen. Filippus vroeg hem: “Begrijpt u ook wat u leest?” En de Ethiopiër antwoordde: “Hoe zou dat kunnen als niemand mij uitleg geeft?”

Met andere woorden: we hebben uitleg nodig bij onze overpeinzingen van de Bijbel. Vaak begrijpen we niet wat we lezen en moet iemand anders de tekst uitleggen. Mensen zeggen weleens tegen mij: “Ik kan prima in mijn eentje geloven, daar heb ik de kerk niet voor nodig.” Maar precies om deze reden hebben mensen dat verkeerd. Wij hebben elkaar nodig om de tekst uit te leggen. Juist dáárom vormen wij een geloofsgemeenschap. Wij moeten voor elkaar Filippus en de Ethiopiër zijn. Want anders begrijpen wij niet wat we lezen. Hoe zou dat kunnen als wij elkaar geen uitleg gaven. En daarom is het van belang om op zondag bij elkaar in de kerk te zijn en de Bijbel gezamenlijk te overpeinzen. “Gelukkig de mens die [...] vreugde vindt in de wet van de heer en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.”

Amen.