Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
(Lezen Genesis 1:1-5 uit de kanselbijbel:) “In den
beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en
duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.
En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat
het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het
avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.”
U vraagt zich misschien af: waarom leest ie Genesis 1 op eerste paasdag? En waarom uit de kanselbijbel? Om met die laatste vraag te beginnen: dan wordt de kanselbijbel tenminste ook eens een keer gebruikt. De eerste vraag is ook niet zo lastig te beantwoorden. In Genesis 1 schiep God de hemel en de aarde. En met Pasen worden hemel en aarde herschapen. Genesis 1 is schepping; Pasen is herschepping. Aan het begin van de tijd laat God het licht in de wereld komen en in de paasnacht komt het licht opnieuw in de wereld. We hebben dat vanmorgen symbolisch uitgebeeld door het licht de kerk in te dragen.
We hebben er ook over gezongen: “Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan.” Het zijn regels van Huub Oosterhuis. Licht dat ons aanstoot in de morgen is het licht van de paasmorgen, het licht dat ons aanraakt, het licht dat ons leven anders maakt. Maar dat licht is ook het voortijdig licht waarin wij staan, het licht van voor de tijd dat de aarde en de mensheid geschapen werden.
Dát is Pasen: de wereld wordt opnieuw geschapen doordat Christus opstaat uit de dood. Uit de duisternis van Stille Zaterdag rijst het licht van Gods Zoon. Jezus Christus is weer levend geworden. Dat betékent voor ons iets. Paulus schrijft ergens: “Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen.” Met andere woorden: door de opstanding van Christus staan ook wij op na onze dood. De dood is niet langer een muur waar je vroeg of laat keihard tegenaan dondert, maar een poort waar je doorheen gaat naar het nieuwe leven in het koninkrijk van God.
Er zijn mensen die hebben meegemaakt dat ze bijna dood waren, mensen met een zogenaamde bijna-doodervaring. De verhalen die zij vertellen stemmen in wezen allemaal met elkaar overeen. Ze hebben het over een donkere tunnel met aan het eind daarvan een schitterend licht. Ze gaan de tunnel in en ze voelen zich absoluut niet angstig; integendeel, ze verkeren juist in een toestand van grote vrede. Maar voordat ze bij dat schitterende licht komen, worden ze teruggestuurd, want hun leven is nog niet ten einde, ze hebben het nog niet uitgeleefd.
Dat is mooi hč, de ervaringen van die mensen en hoe ze erover vertellen? Tenminste, ik vind dat mooi. Want die verhalen zijn als het ware een antwoord op het verhaal over Jezus’ opstanding met Pasen, een bevestiging van ons geloof dat het leven niet met de dood eindigt. God de Vader staat ons aan het eind van ons leven - aan het eind van de donkere tunnel - op te wachten om ons binnen te laten in zijn koninkrijk. Dat is niet alleen heel mooi. dat is geweldig! Ons leven hier op aarde is maar tijdelijk. Aan het eind ervan gaan wij in in de eeuwigheid van God onze Vader. Pasen is een voorproefje van wat ons verder nog te wachten staat.
Maar nu heb ik een vraag - een vraag waar ik al de hele week mee bezig ben, en waar ik maar geen antwoord op kan vinden. Ik vertel dat maar alvast van tevoren, want dan verwacht u hopelijk niet dat u het antwoord op een presenteerblaadje krijgt aangeboden. Ik heb een vraag, ja, maar ik heb geen antwoord. De vraag is deze: we weten dat het Pasen geweest is, we weten dat Jezus ons voorging met zijn opstanding uit de dood, we weten dat wij Hem eenmaal zullen volgen; we weten dat alles, maar waarom doen we dan net alsof het nooit Pasen geweest is? Vanmorgen vieren we het Paasfeest, maar vanmiddag zit dat hele feest waarschijnlijk alweer ergens in een stoffig uithoekje van onze geest.
Want o, wat zijn we toch altijd druk met ons leven hier op aarde. We verzamelen aardse goederen om ons heen alsof ons leven ervan afhangt. We doen er alles aan om te zorgen dat het ons goed gaat, dat het ons aan niets ontbreekt. We spannen ons tot het uiterste in om zekerheden te verkrijgen voor ons leven hier en nu, en voor ons leven later, als we met pensioen zijn. We zijn bijna hysterisch als het gaat om onze gezondheid en raken in paniek als die door wat dan ook bedreigd wordt.
We zijn bang voor de dood, bang voor de krachten van de natuur, bang dat de hemel op ons hoofd valt, bang voor onze medemensen, bang voor inbrekers en verkrachters, bang voor terroristen, bang voor Jan en alleman, en voor God en het lot.
We trekken ons niets aan van de nood van onze medemensen of gireren hooguit een tientje als er weer eens een stelletje Afrikanen honger zit te lijden. We kennen onze buren nauwelijks nog, maar als er een boom ook maar een centimeter verkeerd staat op de erfafscheiding, dan vliegen we elkaar in de haren. We hebben weinig voor elkaar over en als er een beroep op ons wordt gedaan, dan geven we meestal niet thuis. “Ja, ik heb ook het zo druk, druk, druk.”
We maken om het minste of geringste ruzie, en we zijn er als de kippen bij om onszelf te verdedigen als we kritiek van een ander krijgen. Als óns straatje maar schoon is. We komen als kemphanen op voor ons eigen belang, maar houden geen rekening met dat van een ander. En waarom hebben we het zo vaak over de splinter in het oog van anderen, terwijl we de balk in ons eigen oog niet opmerken? En waarom zijn we altijd zo bezig met aardse zaken en laten we Gods liefde en zijn geboden en zijn koninkrijk links liggen? We hebben het over van alles en nog wat, maar o zo weinig over wat het geloof met ons doet. Waarom noemen we onszelf christenen terwijl we geen echte volgelingen van Christus zijn?
Ik kan hier met gemak een hele preek mee vullen, hoor, geen enkele moeite, en u kunt de lijst vast zelf wel aanvullen, maar ik hou er maar mee op voordat me de tranen in de ogen schieten. Misschien vindt u dit wel een erg zwartgallig beeld, en een zekere mate van overdrijving is mij niet vreemd, maar het beeld heeft zeker raakvlakken met de werkelijkheid. Bovendien: wie de schoen past, trekke hem aan - ik heb er onderweg al verscheidene aangetrokken.
Bekijk ons leven hier op aarde nu eens vanuit een hemels perspectief, bekijk het eens met de blik van God. Dan is dit toch maar een kleinzielig gedoe? God heeft ons gemaakt met de bedoeling van Hem en elkaar te houden; Hij schiep ons voor zijn koninkrijk. Maar wij doen allemaal of we onze eigen koning zijn. Hoe komt het toch dat we weten dat het Pasen geweest is, maar doen alsof het nooit heeft plaatsgevonden? Waarom maken we ons toch zo druk over dat momentje dat we hier op aarde leven en zo weinig over ons leven in de eeuwigheid? Waarom zijn we zo halfslachtig christen en zo weinig echte volgelingen van Jezus?
Ik lees (uit de kanselbijbel) nog een keer wat Paulus hierover geschreven heeft in zijn brief aan de Efeziërs (4:17-24): “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.”
Het kernzinnetje in dit betoog van Paulus is: “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen.” Of zoals dat in De Nieuwe Bijbelvertaling staat: “Maar zo hebt u Christus niet leren kennen!” De Nieuwe Bijbelvertaling staat hier dichterbij de grondtekst, maar in wezen betekent het hetzelfde: als je christen bent, dan moet je je toch op de een of andere manier onderscheiden van niet-christenen? Dan moet je toch laten zien dat je een volgeling bent van de grote Meester? Dan ben je toch anders dan andere mensen?
Natuurlijk zit er een paradox, een tegenstelling, in mijn verhaal en dat van Paulus. Want als wij inderdaad zouden leven in het licht van Pasen, als wij écht van God en anderen zouden houden, als wij werkelijk zouden doen wat God van ons vraagt, dan was het nooit Pasen geworden. Want dan was het niet nodig geweest. Goede Vrijdag en Pasen moesten gebeuren juist omdát wij dat allemaal niet doen. Zouden wij nooit gezondigd hebben, dan had Jezus niet dood hoeven te gaan en dan had Hij ook niet weer op hoeven te staan uit de dood. Het slechte nieuws is dat wij wél zondigen, maar het goede nieuws is dat God ons dat vergeven heeft. Daarom werd het Goede Vrijdag. Daarom werd het Pasen. En dat is iets om heel, heel blij mee te zijn.
Maar ik blijf toch zitten met mijn vraag: hoe komt het toch dat we weten dat het Pasen geweest is, maar doen alsof het nooit heeft plaatsgevonden? Een preek is eigenlijk bedoeld om antwoorden te geven, niet om vragen op te werpen. Maar misschien is één goede vraag wel beter dan honderd antwoorden. De vraag is: hoe komt het toch dat we weten dat het Pasen geweest is, maar doen alsof het nooit heeft plaatsgevonden? De beurt is nu aan u om erover na te denken, want deze preek is voorbij.
Amen.