Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 25 februari 2007
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Liturgie

Aanvangslied
Psalm 91:1, 5, 6
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering en kyrie
Lied
Gezang 187:1, 2
Gebed om verlichting met de heilige Geest
De projectverbeelding
Lied
Langs beelden van hoop
De reisgenoot
Schriftlezing
Lied
Gezang 384
Schriftlezing
Lied
Gezang 172
Preek
Lied
Gezang 173:1, 2, 3
Gebeden
Inzameling van de gaven
Slotlied
Gezang 460:1, 3, 5
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Boven het gedeelte van Lucas 4 dat we vanmorgen gelezen hebben, staat in De Nieuwe Bijbelvertaling als kopje: “Jezus door de duivel op de proef gesteld.” Het is een bekend verhaal dat meestal gelezen wordt op de eerste zondag van de veertigdagentijd. Het is een bekend verhaal, maar het is ook een wat vreemd verhaal. Het roept vragen op. Bijvoorbeeld: was het nodig dat Jezus door de duivel op de proef werd gesteld? Maar het verhaal roept meer vragen op.

Laten we eerst eens kijken wat er gebeurde. Geleid door de Geest zwierf Jezus veertig dagen rond in de woestijn. De woestijn is in de Bijbel de plaats waar mensen duidelijkheid krijgen over de richting die ze aan hun leven willen geven. In de dorheid en eenzaamheid van de woestijn leidt niets mensen af van de vragen waar ze mee bezig zijn. “We gaan een paar dagen de hei op,” zegt men tegenwoordig als mensen in een bedrijf willen nadenken over de toekomst van de organisatie. Jezus ging niet de hei op, maar de woestijn in. Veertig dagen lang.

Dat doet denken aan de veertig jaar dat het volk Israël door de woestijn zwierf voordat ze het beloofde land binnentrokken. Tijdens die periode wordt ook het volk drie keer op de proef gesteld om het geloof in God te laten vallen. Drie keer wordt het volk Israël op de proef gesteld en drie keer doorstaat het de proef niet. Eerst krijgt het volk honger en wordt daarom boos op God. God zorgt dan voor manna en kwartels. Daarna vraagt het volk om een wonder ten teken van Gods aanwezigheid. Mozes slaat dan met zijn staf op een rots, waarna er water uit stroomt. Ten slotte keert het volk zich van God af en bezwijkt het voor de verleiding van een afgodendienst. Ze aanbidden het gouden kalf.

Ziet u de overeenkomsten met de dingen waarmee Jezus op de proef wordt gesteld? Ook Jezus wordt in de veertig dagen drie keer op de proef gesteld. De duivel verleidt Jezus zoals ook Israël verleid werd: door het tevoorschijn toveren van eten, door het aanbidden van onechte machten en door wonderlijke tekenen zoals het springen van de tempel zonder zich te bezeren. Maar in tegenstelling met het volk Israël doorstaat Jezus de verleiding. Hij maakt als het ware goed wat het volk verkeerd deed. Daarmee wordt de geschiedenis rechtgezet. Het verbond tussen God en Israël, het verbond dat keer op keer door de Israëlieten verbroken werd, werd door Jezus hersteld toen Hij de verlokkingen van de duivel weerstond.

De woorden van de duivel tegen Jezus zijn uitdagend. Want waar gaat het eigenlijk om? Het gaat niet om de eenvoudige verlokkingen die het in eerste instantie lijken te zijn. Het gaat niet om eten krijgen als je erge honger hebt; het gaat niet om het krijgen van macht alleen; het gaat ook niet om het onoverwinnelijk worden als de Galliërs in de verhalen van Asterix en Obelix. Nee, de verlokkingen van de duivel zitten dieper. Zijn verlokkingen raken de mens in zijn diepste wezen.

In ieder mens schuilt ten diepste de neiging om alles tot zichzelf te herleiden. Jijzelf bent de belangrijkste persoon in je eigen leven. Je bekijkt de wereld en alle anderen mensen vanuit jezelf. Alles wat er om je heen gebeurt betrek je op jezelf. Waarom ben je bijvoorbeeld verdrietig als iemand van wie je houdt komt te overlijden? Eigenlijk niet om die mens, want je geliefde is immers in de hemel bij God. Nee, je bent verdrietig omdat je die persoon heel erg mist. Zo slaat alles op jezelf terug. Dat is op zichzelf niet erg, maar het gevaar is niet denkbeeldig dat dat egoïsme - want dat is het - te groot wordt, dat jezelf een god wordt in het diepst van je gedachten, zoals de dichter Willem Kloos dichtte:

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

Begrijpt u een beetje wat ik bedoel? In wezen is ieder mens egoïstisch. Maar men zegt wel: “Alles waar te voor staat is niet goed, behalve tevreden.” En zo kun je ook té egoïstisch zijn. Dat is een strijd die ieder mens in zijn binnenste heeft te voeren. Zo ook Jezus. En dát is de ware verlokking waar Jezus door de duivel aan blootgesteld wordt.

Laten we maar eens kijken wat de drie beproevingen nu precies inhouden. De eerste verlokking is dat de duivel tegen Jezus zegt: “Als u de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.” Nu heeft Jezus erge honger en zo’n in brood veranderde steen zou er dus wel ingaan! Maar speelt de duivel nu in op Jezus’ hongergevoel? Is dat de verlokking? Nee, het is veel erger. Als Jezus zou ingaan op het voorstel van de duivel, dan zou Hij laten zien dat zíjn gevoel, zíjn begeerte, zíjn verlangen, veel belangrijker is dan dat van alle andere mensen. De duivel probeert dus het egoïsme in Jezus aan te wakkeren. Want als Jezus te egoïstisch zou zijn en de steen in brood zou veranderen, dan zou Hij niet meer kunnen optreden als Redder van mensen.

De duivel probeert dan een tweede verlokking. Hij brengt Jezus naar een hooggelegen plaats en laat hem in een en hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien. En hij zegt tegen Jezus: “Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil; als u in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.” Ziet u hoe verleidelijk dat is? Want wie verzucht niet eens af en toe: “Als ik de macht had, dan zou ik.” Vul maar in. Maar als ik iemand zoiets hoor zeggen, dan denk ik weleens: het is maar goed dat jij de macht niet hebt, want je zou een dictator zijn. Macht corrumpeert. En als Jezus de macht zou hebben, tenminste de macht die de duivel Hem voorspiegelt, dan zou Jezus een absolute dictator zijn. Macht corrumpeert en absolute macht corrumpeert absoluut. Er is niets zo egoïstisch als de macht willen hebben. Want ook hier speelt de duivel in op het menselijke egoïsme: het verlangen naar macht om de zaken naar je eigen hand te kunnen zetten en andere mensen voor jóúw karretje te spannen.

De duivel geeft het nog niet op. Hij probeert ten slotte de ultieme verlokking op Jezus uit. Hij brengt Jezus naar Jeruzalem en zet Hem op het hoogste punt van de tempel. Dan zegt hij tegen Hem: “Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: 'Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken.’ En ook: 'Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.’” Met andere woorden: als je springt, dan zal God je redden. Of met nog andere woorden, want dat bedoelt de duivel eigenlijk: span niet alleen andere mensen voor jouw karretje, maar ook God. Gód moet tegemoetkomen aan jouw behoeften, aan jouw verlangens, aan jouw begeerte. De ultieme manier om jezelf tot het centrum van het heelal te maken is God in te zetten voor jouw geluk. Dat is egoïsme ten top.

Want als je jezelf zo in het centrum zet, dan kun je op het laatst alleen nog maar van jezelf houden. Dan heb je geen oog meer voor de grote geboden van Jezus: heb de Heer, je God, lief met heel je hart en met heel je ziel en met heel je kracht en met heel je verstand, en je naaste als jezelf. Daar gaat het de duivel om: Jezus afhouden van zijn eigen gebod, zodat ook zijn volgelingen zich er niet aan zullen houden. Maar Jezus doorstaat alle verlokkingen. Hij laat zien dat het mogelijk is om boven je egoïsme uit te stijgen. Hij leeft ons voor dat je eigen verlangens en behoeften niet het belangrijkste zijn, maar die van anderen.

En waar staan wij dan? Naast Jezus in de woestijn? Zijn wij bereid om te vechten tegen de verlokkingen van de duivel? Zijn wij zo sterk als Jezus? Als ik naar mezelf kijk, dan moet ik die vraag ontkennend beantwoorden. In de veertigdagentijd ben ik meestal gewoon om te vasten. En vasten houdt bij mij dan in: niet snoepen. Geen koekje bij de koffie. Geen lekker tussendoortje. Ik doe dat om mezelf te dwingen stil te staan bij de veertigdagentijd en bij Jezus. Want iedere keer dat ik anders een koekje bij de koffie zou nemen, bedenk ik me toch eventjes waarom ik dat nu niet doe. En dan denk ik dus eventjes aan Jezus. Maar ik ben niet zo sterk. Want zo nu en dan vergeet ik mijn voornemen gewoon. En af en toe bezwijk ik voor de verleiding. Dan denk ik: ach, één zo’n koekje, wat maakt dat eigenlijk uit. Het is maar een klein voorbeeld en misschien bent u wel sterker dan ik. Maar als we het over de echt grote verleidingen hebben, dan denk ik dat alle mensen bij tijd en wijle bezwijken.

Maar Jezus doorstond de verleiding. In het lied dat we vanmorgen hebben gezongen was sprake van een bloem in de woestijn. Dat symbool geeft aan dat de weg van Jezus een weg van leven is. Midden in de woestijn, in de leerweg waarin we te kampen hebben met verzoeking, zien we in Jezus een teken van leven. Een bloem van hoop, bloeiend in de woestijn. Onverwacht, klein ook nog, maar toch een tastbaar teken dat deze weg niet eindigt in de woestijn.

Amen.