Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Volgens mij was het Herman Finkers die ooit eens heeft gezegd: “Een schizofreen is nooit alleen.” Hij bedoelde daarmee waarschijnlijk iemand met een gespleten persoonlijkheid, maar ik moest meteen aan christenen denken. Want christenen zijn, als het goed is tenminste, ook allemaal gespleten persoonlijkheden.
Dat moet ik even uitleggen. Maarten Luther zei over christenen dat zij zowel gerechtvaardigden als zondaars zijn. U weet, Maarten Luther was degene die zei dat een mens alleen al door in Jezus Christus te gelóven, gerechtvaardigd is voor God. Dat betekent dat wij christenen door ons geloof zijn vrijgesproken van schuld. Maar tegelijkertijd hébben wij wel schuld; we zijn zondaars. Dat bedoel ik dus met die gespleten persoonlijkheid. We zijn gerechtvaardigd en we zijn zondaars.
Want als we geen zondaars waren, dan hadden we daarnet na het lezen in de Bijbel tegen elkaar kunnen zeggen: “Zo, we hebben het gehoord; Bijbel dicht, liedje zingen, naar huis en koffie drinken. We weten nu wat God met ons wil, en daar houden we ons verder aan.” U weet natuurlijk net zo goed als ik, dat het zó niet gaat. We hebben een hele kerkgeschiedenis achter de rug met bewijzen daarvan. De kruistochten, bijvoorbeeld. Ik weet niet of u weleens met niet-christenen over uw geloof praat, maar in zo'n gesprek valt vaak het verwijt aan christenen over de kruistochten. En terecht. Twee eeuwen lang zijn christenen naar het Heilige Land getrokken om de moslims eruit te knikkeren. En dat ging bepaald niet zachtzinnig. En het gebeurde onder leiding van mensen die de Bijbel goed kenden. De Bijbel, waarin staat te lezen: “Heb je vijanden lief [en] doe goed [.]; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn.”
“Ja,” zult u misschien zeggen, “dat met die kruistochten, dat waren katholieken; protestanten deden zoiets niet.” Ten eerste waren er toen nog helemaal geen protestanten, maar goed, ik wil u nog wel een ander voorbeeld geven. In 1572 werden door de geuzen, protestanten dus, in Gorkum twintig katholieke geestelijken gevangengenomen en naar Den Briel overgebracht. Zij moesten onder folteringen het gezag van de paus verloochenen. Slechts één gaf daaraan toe, de andere negentien werden opgehangen. Dit zijn slechts twee voorbeelden uit een kerkgeschiedenis boordevol met christenen die de Bijbel lazen, maar er niet zo erg uit leefden. Allemaal gespleten persoonlijkheden, waarover Paulus schreef in zijn brief aan de Romeinen: “Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.”
Ik hoor u weer een tegenwerping maken. U zegt nu: “Ja, maar dat was vroeger. Nu zijn wij anders; wij hebben meer beschaving.” Ís dat wel zo? We zijn inderdaad mínder geneigd om bij meningsverschillen elkaar de kop in te slaan, of direct naar martelwerktuigen te grijpen. Gelukkig is er tegenwoordig slechts een kleine minderheid die zich schuldig maakt aan lichamelijk geweld. “Zinloos geweld” noemen we dat en we keuren het massaal af. We organiseren er stille tochten tegen en roepen om de terugkeer van normen en waarden. En dat is goed.
Maar aan de andere kant is er nog steeds heel veel psychisch geweld. Er komt geen klap aan te pas, maar het doet minstens evenveel pijn. Het gepest worden van kinderen is bijvoorbeeld een van de grootste problemen op scholen. Oók op christelijke scholen. Kinderen worden soms zó gepest dat ze niet meer naar school durven, en geen plezier meer hebben in het leven.
“Ja, maar dat zijn kinderen en geen volwassenen.” U blijft maar tegenwerpingen maken. Maar het pesten houdt niet op na de middelbare school. In het bedrijfsleven is pesten een grote oorzaak van ziekteverzuim en komen er mensen door in de WAO terecht. Daarnaast ontstaan in bedrijven vaak grote persoonlijke conflicten, bijvoorbeeld uit angst voor prestigeverlies. Bovendien wordt er heel wat met de ellebogen gewerkt. En dat soort conflicten ontstaat helaas ook in de kerk. Of in gezinnen en families. Als het niet in uw eigen familie is, dan kent u in uw schoonfamilie wel een voorbeeld. En als wij zulke conflicten hebben, dan hebben wíj meestal gelijk en de ander niet. We zijn soms zo boordevol van ons eigen gelijk, dat we geen oog meer hebben voor dat van een ander. De splinters in andermans ogen vallen meer op dan de balken in onze eigen. Dat geldt voor de ander net zo goed, en daarom blijven conflicten soms jarenlang bestaan. Tot verdriet van alle partijen. Maar we hebben balken in onze eigen ogen, en daarom vinden we dat de ander maar de eerste stap moet nemen om het conflict op te lossen.
Maar hoe zit het dan met de Bijbel? Leggen we al die wijze raadgevingen in het boek Spreuken naast ons neer? Heerst onder ons die gezindheid die Christus Jezus had? Zijn we eensgezind, één in liefde, één in streven, één van geest, zonder geldingsdrang of eigenwaan? Achten wij in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan onszelf? Worden wij door Christus zozeer bemoedigd en liefdevol getroost dat er onder ons een grote verbondenheid met de Geest is, met veel ontferming en medelijden? Natuurlijk is dat alles er óók. Maar daarnaast is er die gespletenheid. We zijn gerechtvaardigden én zondaars.
Maar hoe moet het dan? U kent misschien dat verhaal over die predikant die over straat liep en een jongetje tegenkwam. Zo'n klein mannetje van een jaar of acht, negen. “Zeg, dominee.” zei het jongetje. En dominee bukte zich wat voorover om hem goed te kunnen verstaan. En meteen kreeg hij van het jongetje een harde klap tegen zijn wang. De arme predikant tuimelde bijna achterover op straat. “Zo,” zei het jongetje, “nu moet u mij de andere wang toekeren, dat hebt u zelf afgelopen zondag verteld.” Toen moest die predikant even heel langzaam tot tien tellen. En hij dacht bij zichzelf: die jongen heeft wél gelijk, het staat in de Bijbel. En hij bukte zich weer, nu met zijn andere wang naar die jongen toe. En hij kreeg nog een keer zo'n klap. “Zo,” zei de dominee, “nu heb ik de Heer gegeven wat de Heer toekomt, nu geef ik jou wat jou toekomt.” En hij pakte het jongetje met één hand op en gaf hem met de andere een pak voor zijn broek.
Moeten wij zó handelen? Moeten we, met andere woorden, eerst christen zijn en daarna pas mens? Moeten we zó met onze gespletenheid omgaan? Ik denk dat onze predikant een heel eind in de goede richting was. Alleen was zijn volgorde verkeerd. We zijn eerst mens. Mens met onze boosheid, verdriet en wrok. En zo moeten we het conflict uitvechten, natuurlijk niet met onze vuisten, maar met de mond. Maar als we daarna heel langzaam tot tien tellen, dan moeten we de ruimte nemen om Gods Woord als het ware in te drinken; om ons te laten inspireren. Dan moet de liefde tot onze naaste voorop komen te staan. En dán keren we die naaste de andere wang toe. Misschien is het conflict wel helemaal niet op te lossen. Maar dan moeten we christen genoeg zijn om te zeggen, zoals de Engelsen dat zo mooi kunnen: “We agree to disagree” - “We spreken af dat we het met elkaar oneens zijn”. Willen we werkelijk christen zijn, dan gaan we zó met onze gespletenheid om. Dat is onze werkelijke opdracht: christen zijn, niet om geen conflicten te hebben - want daar zijn we te gespleten voor -, maar christen zijn om op een christelijke manier met conflicten om te gaan.
We kregen eens een reclamefoldertje door de brievenbus met daarop de kreet: “What matters most, is how you see yourself,” - “Wat er het meest toe doet, is hoe je jezelf ziet.” Het foldertje legde uit dat als je niet tevreden met jezelf was, dat je dan maar een bepaald kruidenpreparaat moest innemen. Het foldertje kwam van een mevrouw met de toepasselijke naam Suzanne de Liefde. Maar ik denk dat in dit geval De Liefde er net naast zat. Er had moeten staan: “What matters most, is how God sees you” - “Wat er het meest toe doet, is hoe God jou ziet”! God zag dat wij zondaars waren. Daarom heeft Jezus Christus afstand gedaan van zijn gelijkheid aan God en de gestalte van een slaaf aangenomen, en is Hij aan de mensen gelijk geworden. Hij heeft zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot in de dood - de dood aan het kruis. Zo werden wij ook gerechtvaardigd. En daarom zijn wij gespleten persoonlijkheden. Gerechtvaardigd en zondaar. Maar we zijn niet alleen. Want God is bij ons.
En zo heeft Herman Finkers gelijk, maar op een andere manier dan hij bedoelde: “Een schizofreen is nooit alleen.” Want God is bij ons in onze gespletenheid.
Amen.