Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In het hindoeïsme bestaat een oud gebed dat, vertaald, ongeveer als volgt gaat: “Leid mij van het onechte naar het echte; leid mij van de duisternis naar het licht; leid mij van de dood naar de onsterfelijkheid.”
De laatste twee smeekbeden zou je zó naar het christendom kunnen overhevelen, maar de eerste is een beetje een vreemde eend in de christelijke bijt. “Leid mij van het onechte naar het echte.” Christenen hébben niet zoveel met de tegenstelling tussen het echte en het onechte. Ga maar na in de geschiedenis: in de Middeleeuwen trokken de kruisvaarders er met geheven zwaarden op uit om de moslims te overtuigen van de liefde van Jezus Christus. Maar ook tegenwoordig zijn er veel christenen die denken dat de ge- en verboden van ons geloof voornamelijk voor anderen gelden. Anderen moeten zich daaraan houden, maar zelf nemen ze het niet zo nauw. Vooral een ánder mag bijvoorbeeld niet op zondag de was buiten hangen. Schijnheiligheid alom.
Begint u al een beetje aan te voelen wat ik met de begrippen echt en onecht bedoel? Laat ik het met een voorbeeld nog een beetje verduidelijken.
Lang geleden, toen ik een jaar of dertien, veertien was, ging ik, om een centje bij te verdienen, vaak oppassen op kleine kinderen. Dan konden hun ouders eens een avondje weg. Nu waren er, in mijn beleving tenminste, twee soorten ouders. Je had mensen die voor mij van alles en nog wat klaarzetten: een koelkast gevuld met flessen frisdrank, het hele aanrecht vol met koektrommels, blikken snoep en zakken chips, genoeg voor een klein formaat weeshuis. Dat waren in mijn ogen de goeien.
Maar er waren ook mensen die dat niet deden. Dan zat er in de limonadefles nog net een laf bodempje cola. En de koektrommel bevatte precies één oud mariakaakje. En daar moest ik dan de hele avond op leven! Het spreekt voor zich dat ik in zo’n geval de keukenkastjes nog wel eens aan een nader onderzoek onderwierp.
Op een avond, niet ver voor Kerstmis, moest ik weer eens bij dat soort mensen gaan oppassen. Het eerste wat ik deed toen ze de voordeur achter zich dichtgetrokken hadden, was dat ik allerlei kasten indook op zoek naar wat extra proviand. Nergens iets eetbaars te vinden! Toen ging ik maar televisiekijken. Maar er was helemaal niets op de buis. Ik had ook geen huiswerk, want het was al kerstvakantie, en die mensen hadden ook al geen boeken in huis. Wat nu? Ik werd bang dat ik de hele avond veroordeeld was tot hongerig nietsdoen.
Toen viel mijn oog op de kerststal. Hij stond op een mooie plaats onder de kerstboom. Het was echt een heel mooie kerststal. Hij was gemaakt van hout en had echt mos op het dak. De beesten en de mensen in de kerststal waren ook heel mooi gemaakt. Toen ik hem eens wat nader bestudeerde, vond ik de kerststal eigenlijk té mooi. Maria en Jozef, de herders en de drie wijzen uit het Oosten stonden vroom en devoot naar het kindje in de kribbe te staren. Zelfs de os en de ezel en de andere dieren - er waren nog een paar schapen en ook een kameel - hadden een vrome grijns op hun bek.
Nu voelen pubers meestal feilloos het verschil tussen echt en onecht, en ik vond deze kerststal duidelijk onecht. Hij was té gemaakt. Daar moest dus iets aan veranderen. Om te beginnen haalde ik het kindje Jezus uit zijn kribbe en zette hem op de rug van de ezel. Met een luid gebalk liet ik hem de kamer rond galopperen. Ik kan me vergissen, maar ik geloof dat zelfs Jezus pretlichtjes in zijn ogen kreeg. Moegedraafd liet ik de ezel ten slotte water drinken uit de kerstboomstandaard. Daarna legde ik de ezel in de kribbe om hem wat uit te laten rusten. Het kindje Jezus zette ik schrijlings op het dak van de kerststal. Een kerstbal was tijdens de woeste rit door de kamer uit de boom kapotgevallen. Ik nam een van de scherven en zette hem Jezus als een mal soort hoedje op zijn hoofd.
Ondertussen stonden alle kerststalfiguren nog steeds even vroom als daarnet te kijken naar de ezel in de kribbe. Dat slaat nergens op, dacht ik bij mezelf. Ik zette me dus aan het werk om daar verandering in aan te brengen. Ik herschikte de figuren net zolang tot ze naar m’n zin stonden. Een stief kwartiertje later was ik klaar. Ik deed een stap achteruit om mijn arbeid goed te kunnen overzien en ik was zeer tevreden met wat ik zag.
De schaapjes stonden allemaal trapsgewijs op elkaar gestapeld, alsof ze een moeilijk evenwichtsnummer uit het circus deden. Tegen de muur van de kerststal was een ruif bevestigd en de os was daar op de een of andere manier ingeklommen. De kameel was op z’n plaats blijven staan, maar had gezelschap gekregen van een van de herders. Deze had kennelijk veel interesse in het achterwerk van de kameel, want hij stond er met zijn neus bovenop. Jozef en een van de wijzen uit het Oosten lagen met z’n tweeën op de grond. Ze hadden om de een of andere reden besloten een robbertje te gaan knokken. En Maria? Ik schaam me het te moeten zeggen, maar Maria lag nu met dezelfde blik van devotie als eerst op haar rug omhoog te gluren onder de soepjurk van een van de andere wijzen uit het Oosten.
Zo werd het toch nog een leuke avond. Toen ik ’s avonds laat naar huis fietste kwam ik erachter dat ik vergeten was de kerststal weer in zijn oorspronkelijke staat terug te brengen. Ik ben dus door die mensen nooit meer gevraagd om weer een avondje te komen oppassen.
Achteraf schaam ik me er natuurlijk wel een beetje voor. Maar ik moet ook zeggen dat míjn arrangement van de kerststal wel échter was dan de oorspronkelijke schikking. Op de een of andere manier drukte die beter uit hoe het met de menselijke soort is gesteld. We trekken meestal wel mooie kleren aan, maar in gedachten, woord en daad zijn we soms minder mooi. We versieren met Kerstmis van alles en nog wat, we hangen overal lichtjes op, we dekken de tafel op de mooiste manier, we luisteren naar zoete kerstmuziek - kortom: aan de buitenkant is alles prima in orde. Maar hoe staat het met de binnenkant?
Hoe staat het met úw, met jóúw binnenkant? Is daar ook alles pico bello in orde? Geen duistere of zondige gedachten en bedoelingen? Bent u vanbinnen net zo schoon als vanbuiten? Laat u andere mensen alle donkere hoekjes van uw ziel zien? Of spelen zich daar dingen af die u liever voor andere mensen verbergt? Zet u niet ook van tijd tot tijd een masker op om maar niet aan anderen te laten zien hoe u zich werkelijk voelt? Kortom: bent u, ben jij wel echt? Of is het allemaal maar schone schijn?
Echt of onecht - dat is de vraag. Zíjn wij echt? Gelóven wij echt? Of zijn wij schijn-heilig? Want als we echt zijn en echt geloven, hoe komt het dan dat er met Kerstmis zo veel eenzame mensen zijn? Hoe komt het dan dat er zo veel kinderen op deze wereld honger lijden? Hoe komt het dan we elkaar zo veel verdriet doen? Want echt zijn en echt geloven zou toch moeten inhouden dat we al onze kerstversieringen in de prullenbak werpen en ons gaan inzetten voor een betere wereld?
“Leid mij van het onechte naar het echte,” bidden de hindoes, en misschien zou dat christenen ook wel passen. Maar hindoes zijn op zoek naar verlossing van dit aardse leven. Zij denken dat ze eerst vanbinnen rein moeten worden voordat ze het nirwana mogen betreden. Zij denken dat ze eerst zonder fouten moeten zijn voordat ze bij God mogen komen. Christenen hóéven niet rein te worden. Wij hoeven niet eerst zonder fouten te zijn voordat we bij God mogen komen. Want dat is het mooie van Kerstmis. Wij hoeven niet naar God te gaan! Nee, God is naar óns gekomen. Hij kwam in de persoon van het kindje Jezus. God zelf heeft óns leven geleefd van de kribbe tot het graf. Hij wéét hoe het met ons gesteld is. Hij wéét hoe we ons diep vanbinnen soms kunnen voelen. Hoe machteloos we ons kunnen voelen staan tegenover het leven, en tegenover het onrecht op deze wereld.
Want dat is een van de redenen dat met Kerstmis Jezus Christus geboren is. God heeft het allemaal meegemaakt. Hij is een baby’tje geweest. Hij is een opgroeiend kind geweest. Hij is een puber geweest. En Hij is een volwassen mens geweest. God heeft het allemaal meegemaakt. Hij weet dus van onze moeilijkheden en onze dilemma’s, van onze duistere kant en ons onecht-zijn. Daarom hoeven we tegen God nooit onecht te zijn. Hij ziet ons zoals we zijn en we hoeven tegenover Hem niet de schone schijn op te houden.
Want God weet hoe moeilijk het is om echt te zijn. Hoe moeilijk het is om echt te geloven. Hoe moeilijk het is om echt een ander lief te hebben. Hoe moeilijk het is om echt je hand en je hart naar de ander uit te strekken. Moeilijk. maar niet onmogelijk. God zelf heeft laten zien hoe het is om echt te leven. God heeft ons een voorbeeld gegeven om na te volgen. Want daarom werd het Kerstmis. Daarom kwam God naar de aarde in het kindje Jezus Christus.
Amen.