Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 26 november 2006
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Dit is de vierde uit een serie van vier preken over het bijbelboek Openbaring. Klik voor de andere afleveringen op: eerste, tweede of derde.


Liturgie

Aanvangslied
Psalm 93
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering en kyrie
Gloria
Gezang 457:1, 2, 3
Gesprekje met de kinderen
Gedicht (Janet Korte)
Wij noemen de namen van hen die gestorven zijn
Lied
Gezang 273:1, 3, 4
Gebed om verlichting met de heilige Geest
De kinderen gaan naar de kindernevendienst
Schriftlezing
Lied
Er is een stad voor vriend en vreemde, Evangelische Liedbundel, lied 194
Schriftlezing
Lied
Waarom zou ik nog leven, Zingende gezegend, lied 210
Preek
Orgelspel
Gezang 439
Gebeden (Sapphira Mulder en Gerdien van Dijk)
Inzameling van de gaven
Slotlied
Gezang 300:1, 2, 6
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vandaag de vierde en laatste aflevering van de serie preken over het boek Openbaring. Waar hebben we het de afgelopen drie keer over gehad? We hebben gesproken over het bijbelboek: wat is het voor boek? Wie is die Johannes die het heeft geschreven? Hoe moet je Openbaring lezen? We hebben het gehad over de symboliek van Openbaring, over de betekenis van de getallen die erin voorkomen. Ik heb gewaarschuwd voor het gevaar van het letterlijk nemen van Johannes’ visioenen. Zijn boek is geen toekomstvoorspelling in de zin van de Enkhuizer Almanak, maar toch gaat het over de toekomst.

Maar we hebben het vooral gehad over de strijd die in Openbaring beschreven staat. De strijd tussen goed en kwaad, de strijd tussen God en Satan. De hemelse strijd die zich ook op de aarde voortzet. De strijd tussen goede en kwade machten op aarde, maar ook de strijd tussen goed en kwaad in je eigen ziel. Want Openbaring is het boek van die strijd tussen goed en kwaad. Het wapengekletter is niet van de lucht. Boze beesten en aartsengelen bestrijden elkaar als verlengstukken van God en Satan, maar ook de mensen op aarde zijn verlengstukken van het goed en het kwaad.

Strijd, strijd, strijd. Maar er is ook beter nieuws te melden. Daarvoor neem ik u eerst mee terug naar een mooie zomerse dag in het jaar 1995. Mijn vrouw en ik stonden toen voor de Gouden Poort in Jeruzalem. Of juister gezegd: we stonden voor de Gouden Poort buiten Jeruzalem. De Gouden Poort is een van de poorten in de middeleeuwse muur rondom het oude Jeruzalem. Komend vanaf de Olijfberg kon je vroeger door deze poort het tempelterrein oplopen, het terrein waar nu het goud van de Koepel van de Rots Jeruzalem domineert.

De Joden geloven dat de Messias ooit door de Gouden Poort de stad zal binnentrekken. Juist om dát te voorkomen hebben de moslims al eeuwen geleden de Gouden Poort dichtgemetseld. Er zijn ook christenen die geloven dat Jezus, wanneer Hij terugkomt, door die poort Jeruzalem zal binnengaan. Want Jezus is al een keer door de Gouden Poort Jeruzalem binnengetrokken. Dat was op Palmpasen, een paar dagen voor zijn kruisiging.

Dit alles stond ik te overpeinzen, staande voor de Gouden Poort. Ik bedacht me dat Jezus helemaal niet door deze poort Jeruzalem was binnengegaan, want toen bestond de Gouden Poort nog helemaal niet. Die is pas in de zesde of zevende eeuw gebouwd. Maar als je op zo’n plaats staat - op bijna gewijde grond, zou je kunnen zeggen -, dan maakt dat eigenlijk niets uit. Het zal een metertje of wat schelen, maar ergens in de buurt moet ook de oude poort gestaan hebben, de poort waardoor Jezus ooit op zijn ezeltje naar binnen was gereden.

Staande op die plaats kwam ik in een wat religieuze en spirituele stemming. En ik dacht: wat zou het toch mooi zijn om met net zo’n tijdmachine als in Kruistocht in spijkerbroek zo’n tweeduizend jaar terug te reizen in de tijd en dan aan te komen precies op het moment dat Jezus er op zijn ezeltje arriveert. Wat zou het toch mooi zijn om het hele gebeuren met eigen ogen te aanschouwen. Wat zou het eigenlijk mooi zijn om Jezus te ontmoeten en Hem met zijn eigen stem te horen zeggen: “Ik hou van je.” Wat zou dat geweldig mooi zijn. En hier, hier op deze plek, in Jeruzalem, de navel van de wereld, het centrum van de kosmos, is het allemaal gebeurd. Aan de andere kant van deze muur heeft God gewoond en een stukje verderop is Jezus gestorven uit liefde voor mij, gestorven uit liefde voor ons allemaal.

In mijn hoofd maakte ik die reis met de tijdmachine. En eigenlijk wijkt dat niet zoveel af van wat Johannes in zijn boek beschrijft. Ook hij maakt een soort reis met een tijdmachine. Maar dan een reis naar de toekomst. De toekomst waarin het oude Jeruzalem met zijn oude muren en poorten niet meer bestaat, maar waarin er een nieuw Jeruzalem zal zijn. Tenminste, zo beschrijft Johannes het in zijn visioen: hij ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en hij ziet het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen. Vervolgens geeft hij een uitgebreide beschrijving van dat nieuwe Jeruzalem: zo en zo groot, met zoveel poorten, versierd met allerlei edelstenen en met straten van zuiver goud.

Natuurlijk bedoelt Johannes niet dat dat allemaal letterlijk gaat gebeuren, alsof God in een creatieve bui in de hemel een stad met allerhande tierelantijnen in elkaar knutselt die Hij vervolgens op de aarde neer laat zakken. Ook hier geldt weer: als je Johannes’ beschrijving letterlijk neemt, dan sla je de plank volkomen mis.

Johannes schrijft over de toekomst wanneer God bij de mensen komt wonen. Dan zal alles anders, nieuw zijn. “Gods woonplaats is [dan] onder de mensen, hij zal bij [ons] wonen. [Wij] zullen zijn volken zijn en God zelf zal als [onze] God bij [ons] zijn. Hij zal alle tranen uit [onze] ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.” De aarde met alles wat daarop slecht en verkeerd is houdt dan op te bestaan om plaats te maken voor een nieuwe aarde, want God zal alles nieuw maken. En op díé plaats “zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben [we] niet nodig, want God, de Heer, zal [ons] licht zijn. En [wij] zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.”

Dat vindt Johannes zó mooi dat hij dat beschrijft in termen van een fonkelnieuw Jeruzalem, een stad vol pracht en praal, die als het ware rechtsstreeks vanuit de hemel naar beneden op aarde komt. Het is zijn manier om ons duidelijk te maken dat alles nieuw wordt, dat de strijd tussen tussen goed en kwaad, de strijd die begon in de hemel en die zich uitbreidde naar de aarde, ook de strijd tussen goed en kwaad in onze eigen ziel, dat die strijd dan gestreden zal zijn. De strijd in de hemel is al gewonnen, gewonnen door het offer van Jezus Christus aan het kruis. Ook de strijd op aarde zal door God gewonnen worden. Zover is het nog niet, maar eenmaal zal het kwaad volkomen overwonnen zijn. Zó mooi vindt Johannes dat idee dat hij die schoonheid voor ons verbeeldt in een schitterende stad met paarlen poorten.

Zo komen we bij het centrale thema van Johannes in het boek Openbaring. Het centrale thema is een boodschap aan ons. En die boodschap luidt: houd vol. Houd vol, ondanks dat er zwarte periodes in je leven zijn. Houd vol, ondanks tegenslagen. Houd vol, ondanks je moeites. Houd vol, ondanks je pijn en je verdriet en je eenzaamheid. Houd vol, ondanks je verlies. Houd vol, ondanks ziekte of dood van je geliefde. Houd vol, want aan het einde van de reis word je inwoner van het nieuwe Jeruzalem. Aan het einde van je leven zal God zelf bij je wonen en Hij zal de tranen uit je ogen wissen.

Zo zijn we gekomen aan het einde van het boek Openbaring. We hebben het lang niet uitputtend behandeld. Er zijn nog zo veel symbolen niet ontsloten. Er zijn nog zo veel verhalen niet verteld. Er zijn nog zo veel onderwerpen blijven liggen. Maar ik hoop dat u een wat beter inzicht heeft gekregen in dit toch niet eenvoudige en soms wat duistere boek. Ik hoop ook dat u de moed heeft gevat om Openbaring zelf eens ter hand te nemen en het helemaal te lezen. Maar ik hoop vooral dat u volhardt in het geloof en het vasthoudt en het volhoudt in tijden van duisternis. Want Christus heeft overwonnen en zijn toekomst is de onze.

Amen.