Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 8 oktober 2006
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Deze dienst is opgenomen en uitgezonden door Radio Westerwolde. Klik hier om deze opname te beluisteren.

Dit is de tweede uit een serie van vier preken over het bijbelboek Openbaring. Klik voor de andere afleveringen op: eerste, derde of vierde.


Liturgie

Aanvangslied
Psalm 119:31, 33, 34
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering en kyrie
Gloria
Gezang 415
Gebed om verlichting met de heilige Geest
Gesprekje met de kinderen
Schriftlezing
Lied
Gezang 303:4, 5
Schriftlezing
Lied
Gezang 438
Preek
Lied
Gezang 439:1, 2, 3, 4
Gebeden
Inzameling van de gaven
Slotlied
Gezang 109:1, 3, 4
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vorige keer zijn we begonnen met het lezen van het boek Openbaring. We hebben toen hoofdstuk 1 gelezen. We hebben het gehad over de schrijver ervan, Johannes, een belangrijke en invloedrijke man in de eerste christelijke gemeenten, die op het eiland Patmos verbleef en daar in vervoering raakte en visioenen kreeg. Van “iemand die eruitzag als een mens”, Jezus, kreeg hij de opdracht in een boek op te schrijven wat hij zag. Dat boek hebben we voor ons liggen: het boek Openbaring.

We hebben het gehad over het karakter van het boek. Het is een boek over de toekomst, maar het is geen programmaboekje, geen toekomstvoorspelling. Het is een droom, maar toch vertelt het ons iets over het plan van God en zijn liefde voor ons. Het is een visioen en het openbaart ons iets, maar het is tamelijk onduidelijk wát het ons precies openbaart. Het kan beangstigend zijn, zeker als je Openbaring naast de krant legt en je aan de hand van het wereldnieuws het boek Openbaring denkt te kunnen volgen.

Zó moet het niet, hebben we de vorige keer besproken. Openbaring vertelt ons iets, maar het is niet het horrorboek dat het op het eerste gezicht lijkt te zijn. Maar hoe moet het dan worden gelezen? Laten we eerst eens kijken wat we gemist hebben, want vorige keer hebben we hoofdstuk 1 gelezen en nu zijn we plompverloren verder gegaan met hoofdstuk 6, maar in de tussentijd is er natuurlijk wel het een en ander gebeurd.

In de hoofdstukken 2 en 3 krijgt Johannes de opdracht om zeven brieven te schrijven aan zeven christelijke gemeenten in Klein-Azië. Zeven, niet zes of acht, nee: zeven. Zeven is het getal van de volheid, van de totaliteit. Zeven christelijke gemeenten zijn dus álle christelijke gemeenten. Niet alleen de gemeenten van toen, maar ook de gemeenten van nu. Die brieven zijn ook voor ons bedoeld. Die zeven brieven zijn allemaal verschillend, maar hebben wel dezelfde kernboodschap: “Wees trouw tot in de dood, dan zal ik u als lauwerkrans het leven geven.” Wees dus onder alle omstandigheden, ook in moeilijke, trouw aan de goede boodschap over Jezus Christus. Wees altijd trouw aan Jezus Christus zelf, dan zul je delen in zijn overwinning op de dood.

In hoofdstuk 4 wordt er voor Johannes, en daarmee ook voor ons, een deur in de hemel geopend. Het biedt ons een kijkje in de hemel. We zien de troon van God, niet God zelf, want God kun je niet aanschouwen. God is te groot voor ons: Hij past niet in ons blikveld. Daarom wordt wat we verder in de hemel zien ook een beetje raadselachtig. “Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog,” schrijft Paulus ergens, en zo is het hier ook. Het ís de hemel die we zien, maar écht zien doen we nog niet. Het is alsof je bij het reisbureau een reisgids hebt gehaald: de plaatjes laten je íéts zien, maar dat is bij lange na niet hetzelfde als zelf met een glaasje sangria in je hand op een terrasje aan de Costa del Sol zitten.

In hoofdstuk 5 ziet Johannes de rechterhand van degene die op de troon zit. Die hand houdt een boekrol vast, aan beide kanten beschreven. Een boekrol is een brede lap papier, of in die tijd meestal papyrus of perkament, die van twee kanten om stokken zit opgerold. De boekrol die Johannes zag was verzegeld met zeven zegels. Hij is dus niet zomaar te lezen, de zegels moeten verbroken worden. Maar Johannes begrijpt dat er niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde is die de boekrol kan openen en inzien. Het doet hem verdriet dat kennelijk niemand het verdient om dat te doen.

Waarom? Onze geschiedenis staat in die boekrol, onze hele menselijke geschiedenis met alles wat daarin goed was - van die keer dat we boodschappen deden voor die zieke vrouw, tot aan moeder Theresa -, maar ook alles wat daarin fout was: van dat we toen kwaadspraken over onze buurman, tot aan Auschwitz. Maar wij kunnen zelf die geschiedenis niet openbreken. We zijn machteloos om de geschiedenis te veranderen - beter te maken -, en we zijn evenzeer machteloos om de toekomst te veranderen. Want de toekomst wordt bepaald door het verleden. Daarom kan niemand op aarde de boekrol openen.

De boekrol kan alleen worden geopend door de leeuw uit de stam Juda, de telg van David, het Lam van God, kortom: Jezus Christus. Met Hem begint hoofdstuk 6, dat we vanmorgen hebben gelezen. Hij verbreekt de eerste vier zegels van de boekrol. Bij het verbreken van elk van de vier zegels verschijnt een ruiter te paard. Het zijn de vier ruiters van de Apocalyps - Apocalyps is een ander woord voor Openbaring. De paarden zijn van een aparte kleur: wit, vuurrood, zwart en vaalgeel. De ruiter op het witte paard is een overwinnaar, iemand die aan het hoofd van een invasieleger het land overvalt en in bezit neemt. De ruiter op het vuurrode paard is iemand die haat zaait, zodat mensen elkaar gaan afslachten. De ruiter op het zwarte paard rekent zulke hoge prijzen voor de belangrijkste levensmiddelen dat er een hongersnood uitbreekt. De vierde ruiter heet eenvoudigweg Dood, en Dodenrijk vergezelt hem.

Dit zijn de vier ruiters van de Apocalyps. Ze krijgen, zo staat er, verlof om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien. Wat is dit? Wat betekent dit? Betekent dit dat er in het plan van God met de mensen staat dat in de toekomst een kwart van alle mensen wordt afgeslacht door de vier ruiters van de Apocalyps? Lekker plan, dan. Volgens mij betekenen die vier ruiters iets anders. Maar laten we eerst nog even verder lezen in het boek Openbaring.

Het vijfde zegel wordt verbroken. Johannes ziet de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. Dit verwijst naar een belangrijk thema in de tijd van Johannes: de vervolging van de christenen door de Romeinen. Iedere inwoner van het Romeinse Rijk moest belijden dat de keizer een god was. Als je dat niet deed, dan kreeg je de doodstraf. De meeste mensen hadden geen probleem met deze belijdenis, maar de christenen wel. Voor christenen is er immers maar één God. Daarom werden christenen bij tijd en wijle bij bosjes afgeslacht. Deze mensen willen dat God de daders hiervan straft. Ik kan me dat wel voorstellen. Als ik gedood zou worden, dan zou ik ook niet zo positief tegenover mijn moordenaar staan.

Overigens bestaat de christenvervolging nog steeds, zij het een stuk subtieler dan in het oude Romeinse Rijk. Soms krijg je het idee, gevoed door de media, maar ook in ontmoetingen met collega’s of vrienden, dat het heel vreemd is dat je nog christen bent. Dat je op zondag naar de kerk gaat in plaats van naar het voetbalveld, en dat je probeert de richtlijnen voor je leven uit een tweeduizend jaar oud boek te halen, vinden veel mensen tegenwoordig heel raar. “Je gelooft dat sprookje toch zeker niet,” is nog het minst negatieve wat je te horen kunt krijgen als je probeert over je geloof te praten. Als je vertelt over wat je ten diepste beweegt, dan kun je je soms figuurlijk voor de leeuwen gegooid voelen. Maar dit even terzijde.

Wat hebben we tot nog toe? De eerste vier zegels - de vier ruiters van de Apocalyps. Het vijfde zegel - de roep om wraak. En dan wordt het zesde zegel verbroken. Dat gaat gepaard met - letterlijk - apocalyptische natuurverschijnselen. Een enorme aardbeving, de zon wordt zwart en de maan bloedrood, de sterren vallen op de aarde en de hemel scheurt los en rolt zich als een boekrol op. Verschrikkelijke verschijnselen! Iedereen probeert dekking te zoeken en mensen roepen tegen de bergen en de rotsen: “Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam! Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?”

Ik denk niet dat het letterlijk zo zal gaan. Jezus Christus is niet onder ons komen wonen als voorspel op zo’n apocalyptische verschrikking. We zijn geboren voor het leven, niet voor de dood. Maar ik denk dat het wat anders betekent. God houdt ons hiermee een spiegel voor. “Kijk nou eens goed en eerlijk naar wat jullie gedaan hebben,” zo lijkt Hij te zeggen. “Kijk eens naar alle ellende op de wereld die jullie zelf veroorzaakt hebben: júllie hebben kwaadgesproken over je buurman; júllie hebben de eerste christenen voor de leeuwen geworpen; júllie hebben die kinderen in Afrika laten verhongeren; júllie hebben de Joden in Auschwitz vergast, júllie hebben mijn Zoon gekruisigd; júllie hebben. Nou ja, jullie weten zelf wel wat je verkeerd hebt gedaan. Ik heb jullie gemaakt om Mij en je naaste lief te hebben en dan doen jullie zúlke dingen! Ik ben daar heel verdrietig om en Ik heb er geen goed woord voor over. Eigenlijk verdienen jullie het werkelijk zó bestraft te worden.”

Zo spreekt God dan, denk ik. Openbaring 6 laat zien dat zijn wraak rechtvaardig zou zijn. Maar het is meer een spiegel dan toekomstige werkelijkheid. Het is in ieder geval geen toekomstige werkelijkheid voor de mensen die zich met Jezus Christus hebben verbonden of voor de mensen uit het volk van Israël. Johannes laat dat zien in hoofdstuk 7. De ellende van hoofdstuk 6 lijkt nog even verder te gaan, want er is sprake van vier engelen die de opdracht hebben gekregen om schade toe te brengen aan het land en de zee. Maar een andere engel roept ze toe: “Laat het land en de zee en ook de bomen nog ongemoeid! Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen.” Met andere woorden: er zijn mensen die in ieder geval gespaard moeten worden voor de apocalyptische verschrikkingen.

Wie zijn dan die mensen? Honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël. En Johannes noemt dan alle twaalf stammen van Israël op, en van elke stam een aantal van twaalfduizend. Twaalfduizend is twaalf keer duizend. Twaalf is het getal van de volmaaktheid en duizend is een getal dat een zeer grote hoeveelheid van iets aangeeft. Twaalfduizend betekent dan gewoon zoiets als ‘alle mensen’. Alle mensen uit alle twaalf stammen van Israël. Dat zijn dus alle Joden.

Maar Johannes is nog niet klaar. “Hierna zag ik dit,” schrijft hij, “een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!’” Een wat uitgebreide beschrijving van alle christenen. Naast de Joden zullen dus ook de christenen gered worden.

Zo staat het er voor nu we bij het einde van hoofdstuk 7 zijn gekomen: een apocalyptische verschrikking als spiegel voor de mensen bij het verbreken van de eerste zes zegels van de boekrol; en twee groepen mensen die in ieder geval gered zijn: de Joden en de christenen. Maar het zevende en laatste zegel moet nog verbroken worden. Volgende keer gaan we verder met Openbaring.

Maar we eindigen, zoals Openbaring 7 eindigt, met een vertroosting voor alle christenen: “Hij die op de troon zit zal bij hen wonen. Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.”

Amen.