Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 7 mei 2006
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Liturgie

Aan het begin
Aanvangslied
Psalm 66:1, 2, 5
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering en kyrie
Gloria
Gezang 409:1, 2, 5
Dienst van het Woord
Gebed om verlichting met de heilige Geest
Schriftlezing
Lied
Psalm 119:1, 7
Schriftlezing
Lied
Gezang 242:1, 3, 7
Preek
Lied
Gezang 47
Bevestiging van nieuw aantredende ambtsdragers
Presentatie
Opdracht
Gelofte
Gebeden
Lied
Gezang 239:1, 3, 6
Bevestigingsgebed
Aanvaarding en verwelkoming
Vredegroet
Dienst van het antwoord
Gebeden (Johanna Hulsman)
Inzameling van de gaven (Hetty Koetje)
Aan het einde
Slotlied
Gezang 314:1, 2, 3
Zegen

Preek

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Wat is dat eigenlijk - gemeente van onze Heer Jezus Christus? Het lijkt soms alleen maar een stilzwijgend afgesproken signaal om de pepermuntjes voor de dag te halen, maar het is natuurlijk meer. Waarom beginnen wij een preek altijd met: “Gemeente van onze Heer Jezus Christus”? Waarom niet met, om maar een voorbeeld te noemen, met: “Hallo allemaal,” of met: “Boeren, burgers en buitenlui”? Ik zou u kunnen aanspreken met: “Beste Gerdien en beste Hans en beste Annelieke en beste Melchert,” enzovoorts, maar dat duurt natuurlijk een beetje erg lang, dus ik zou het kunnen afkorten met: “Beste mensen”. Toch gebeurt dat niet. Ik begin mijn preek met: “Gemeente van onze Heer Jezus Christus”.

Dat betekent in ieder geval dat u de gemeente van onze Heer Jezus Christus bent. Ik behoor daar zelf trouwens ook bij, want een preek wordt niet alleen tot de toehoorders gericht, maar ook tot de prediker zelf. Wij samen zijn de gemeente van onze Heer Jezus Christus. Maar er horen meer mensen tot de gemeente. Er zijn ook mensen die nu niet in de kerk zitten, maar wel horen bij de gemeente. De gemeente omvat alle mensen in een bepaalde plaats, in dit geval Vriescheloo, die zeggen: “Jezus is de Heer.”

Nu is er hier in Vriescheloo nóg een christelijke kerk. Om die reden is er een administratie ingevoerd om bij te houden wie nu tot welke gemeente hoort. Maar zo’n administratie vind ik te eng. Wat mij betreft is iemands uitspraak “Jezus is de Heer” voldoende om bij onze gemeente te horen. En zelfs dat is mij te muggenzifterig. Want op verschillende momenten in je leven kun je meer of minder achter die uitspraak staan. En hoe moet je in godsnaam meten in hoeverre iemand de uitspraak “Jezus is de Heer” meent? Is het dan aan mij of is het aan de kerkenraad of is het aan wie dan ook om te bepalen of iemand al dan niet bij de gemeente hoort? Daarom hoort de gemeente open te staan voor iedereen die daarbij wil horen.

Goed, nu weten we wie er bij de gemeente horen. Maar wat ís die gemeente nu eigenlijk. Voor de theorie moeten we Paulus raadplegen. Paulus vergelijkt de gemeente met het menselijk lichaam. Het lichaam bestaat uit een hele hoop onderdelen: ogen, oren, handen, voeten, enzovoorts. En ieder van die onderdelen vervult een bepaalde functie. Ogen heb je om te zien, oren om te horen, nu ja, dat weet u allemaal zelf ook wel. Ik hoef hier geen les in biologie te geven. De christelijke gemeente is dus volgens Paulus een lichaam met Jezus Christus als hoofd. Paulus noemt de gemeente ook letterlijk het lichaam van Christus.

Jezus is het hoofd van dat lichaam en wij zijn de overige lichaamsdelen. Ieder van ons vervult in dat lichaam een bepaalde functie. En geen van die functies is belangrijker dan een andere. Paulus besteedt er veel woorden aan om dat te benadrukken. Het oog is niet belangrijker dan het oor. Het oor heeft de hand nodig. De hand is niets zonder de voet. Alles is nodig om het lichaam als geheel te laten functioneren. En niets is belangrijker dan iets anders.

Sterker nog: de zwakke lichaamsdelen zijn het meest noodzakelijk. Paulus schrijft: “De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde.”

Zo is het lichaam van Christus, volgens Paulus. Ook Jezus zelf heeft het een en ander over de gemeente gezegd, althans zo wordt de gelijkenis over de talenten vaak uitgelegd. Tegen mensen die hun talenten inzetten voor hun heer zei die heer: “Wees welkom bij het feestmaal van je heer.” Maar over de man die zijn talent zo ver mogelijk wegstopte werd gezegd: “Die nutteloze dienaar, gooi die eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.” Met andere woorden: als je beschikt over bepaalde talenten, gaven, dan moet je ze inzetten voor je heer. Die Heer is in ons geval natuurlijk Jezus Christus.

Tot zover de theorie. De praktijk is, zoals altijd, wat weerbarstiger. Want hoe krijg je een gemeente zover dat zij inderdaad als het lichaam van Christus gaat functioneren? Dat als er een lichaamsdeel pijn lijdt, alle andere lichaamsdelen meelijden en proberen de pijn draaglijk te maken? Dat ieder lid van de gemeente zijn of haar talenten, gaven, inzet en in kan zetten? Dat, kortom, de gemeente functioneert zoals we dat van Jezus en Paulus geleerd hebben?

Op de afgelopen kerkenraadsvergadering hebben we gesproken over wat voor soort gemeente de Protestantse gemeente in Vriescheloo wil zijn. Wat hebben wij de mensen te bieden? Er kwamen veel verschillende antwoorden. Maar het antwoord dat het meest in het oog sprong was het volgende: we willen een gemeente zijn waarin mensen zich geborgen weten; een zorgzame gemeenschap die zich bekommert om mensen in hun situatie, hen bijstaat en voor hen opkomt; een thuis. Een huis waarin ieder gemeentelid weliswaar als het ware een eigen kamer heeft, maar waarin gezamenlijk wordt gelachen en gehuild, gebeden wordt en in de Bijbel gelezen, brood en wijn, en lief en leed wordt gedeeld, wordt omgezien naar elkaar; een huis waarin de ander in zijn of haar waarde wordt gelaten, maar waarin ook ruimte is om de ander in liefde te vermanen; een huis waar liefde heerst en waar vrede woont, want in zo’n huis wil God verblijven.

Dat betekent nogal wat. Namelijk dat ieder lid van de gemeente zich zal moeten inspannen om dát te bereiken. Want zo’n thuis ontstaat niet zomaar. Dat vergt een heleboel inspanning van alle gemeenteleden. Niet alleen van de kerkenraad, maar van álle gemeenteleden die willen wonen in zo’n huis. Dáárom is het zo belangrijk dat ieder zijn of haar talenten inzet om de gemeente op te bouwen. Natuurlijk is dit een ideaalbeeld. Het gaat uit van ideale mensen in een ideale situatie. En mensen en situaties zijn meestal verre van ideaal. Ik vond daar ergens een verhaal over. Het verhaal gaat over een voorganger, maar hetzelfde geldt voor kerkenraadsleden en voor ieder die zich op wat voor plaats dan ook inzet voor de gemeente.

Een lid van een kerkenraad die een nieuwe voorganger zocht, verloor ten slotte zijn geduld. Hij had net meegemaakt hoe de speciale commissie de ene sollicitant na de andere had afgewezen vanwege een - al dan niet ingebeeld - onbeduidend gebrek. Het werd tijd dat iemand de commissie eens een spiegel voorhield. Hij stond op en las de volgende brief voor, zogenaamd van een nieuwe sollicitant:
“Geachte dames en heren van de kerkenraad,
Ik heb begrepen dat u een nieuwe voorganger zoekt en bij dezen wil ik mij graag aanbieden. Ik heb veel kwaliteiten. Ik heb als voorganger veel bereikt en ook als schrijver heb ik enig succes gehad. Volgens sommigen kan ik goed organiseren. Meestal heb ik een leidinggevende positie.
Ik ben in de vijftig en heb nooit langer dan drie jaar op één plaats gepredikt. Soms moest ik vertrekken omdat mijn werk voor rellen en opschudding zorgde. Ik moet bekennen dat ik drie of vier keer in de gevangenis heb gezeten, maar nooit vanwege een echt vergrijp.
Mijn gezondheid is niet al te best, al breng ik nog heel wat tot stand. De kerken waar ik gewerkt heb waren klein, maar stonden wel in verschillende grote steden.
Ik kon niet goed opschieten met de godsdienstige leiders in de steden waar ik gepredikt heb. Sommige hebben me bedreigd en zelfs lichamelijk aangevallen. Mijn geheugen is niet zo heel erg goed. Het is bekend dat ik nog weleens vergeet wie ik gedoopt heb.
Maar als u mij kunt gebruiken, beloof ik mijn best voor u te zullen doen.”
Het kerkenraadslid keek de commissie aan en zei: “Wat denkt u ervan? Zullen we hem uitnodigen?”
De brave kerkgangers waren ontzet! Een ziekelijke, onrust stokende, verstrooide ex-gevangene uitnodigen? Was het geachte kerkenraadslid nu helemaal gek geworden? Van wie kwam die sollicitatie? Wie had er het lef?
Het kerkenraadslid keek hen allemaal doordringend aan en zei toen: “De brief is ondertekend met: ‘De apostel Paulus’.”

Het blijft mensenwerk, ook al roepen wij er Gods hulp bij in. Maar het mensenwerk moet wel gedáán worden. Daarom zijn we zo blij dat vandaag twee gemeenteleden, Johanna Hulsman en Hetty Koetje, in het ambt worden bevestigd. Twee mensen die ieder op hun eigen manier willen meewerken om van de gemeente een thuis te maken. Zij zullen gaan ervaren dat dat soms grote vreugde kan opleveren. Maar ze zullen ook ervaren dat ze tegen muren zullen oplopen op plaatsen waar niemand een muur zou verwachten. Zij zullen goede dingen voor de gemeente gaan doen, maar ze zullen ook hun fouten maken. Zoals gezegd: het blijft mensenwerk.

Hetty en Johanna: wij wensen jullie Gods zegen toe in jullie ambt om alle gemeenteleden in ons huis te laten wonen. Ik hoop en ik spreek de verwachting uit dat de gemeenteleden jullie zullen gedenken in hun gebed.

Amen.