Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 26 maart 2006
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Liturgie

Aanvangslied
Psalm 122
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering en kyrie
De projectverbeelding
Lied
Ik weet van een stad
Stemmenspel
Lied
Op de goede aarde
De kinderen gaan naar de zondagsschool
Gebed om verlichting met de heilige Geest
Schriftlezing
Lied
Gezang 37:1, 3, 4
Schriftlezing
Lied
Gezang 324:1, 2, 4
Preek
Lied
Gezang 178:1, 2, 4, 9, 10
Gebeden
Inzameling van de gaven
Slotlied
Gezang 460:1, 3, 4
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Laten we eerst even de geschiedenis induiken - in dit geval de geschiedenis van het Midden-Oosten tussen 1000 en 500 vóór Christus. Israël kende rond 1000 vóór Christus drie grote koningen: Saul, David en Salomo. In die tijd was het een machtig rijk, maar na de dood van Salomo ontstonden er grote interne spanningen. Dat resulteerde erin dat Israël in twee delen werd gesplitst: het tienstammenrijk in het noorden en het tweestammenrijk in het zuiden rond Jeruzalem. Het noorden, het tienstammenrijk, werd ook wel Israël genoemd en het zuiden, het tweestammenrijk, Juda. Beide rijken hadden een eigen koning aan het hoofd staan.

Ten noordoosten van Israël lag Assyrië. Het besloeg ongeveer het tegenwoordige Syrië. Maar Assyrië werd steeds machtiger en het was belust op meer land en meer macht in de regio. Assyrië ging dus oorlog voeren tegen de buurvolken. Een van die buurvolken was het tienstammenrijk Israël. Rond 720 vóór Christus werd Israël door Assyrië overwonnen en bezet. Een deel van de bevolking van het tienstammenrijk werd gedeporteerd naar verschillende gebieden in Assyrië. Er is nooit meer iets van ze vernomen.

Zo was Assyrië dus enige tijd een grootmacht in de regio. Maar ja, machtige rijken ontstaan, maar op een gegeven moment vergaan ze ook weer. Een van de buurlanden die door de Assyriërs waren veroverd was Babylonië. Babylonië lag ongeveer waar nu Irak ligt. En die Babyloniërs sloegen op een gegeven moment terug. Zij veroverden op hun beurt het gebied dat eerst in handen was geweest van de Assyriërs - dus ook het gebied van het voormalige noordelijke koninkrijk Israël. Maar machtige rijken willen om de een of andere reden altijd méér macht. Zo ook de Babyloniërs. En zo richtten zij hun pijlen ook op het zuidelijke koninkrijk Juda - het tweestammenrijk.

Daar was ondertussen een jongetje geboren dat het later zou schoppen tot een van de belangrijkste profeten van Juda. Zijn naam was - u hebt het natuurlijk al geraden: Jeremia. Zijn naam leeft nog altijd voort in een van de mooiste Nederlandse woorden: jeremiëren. "Zit niet zo te jeremiëren," zeggen we tegen iemand die altijd aan het klagen is. De naam Jeremia heeft dus een beetje een negatieve bijklank gekregen. Diezelfde negatieve bijklank heeft de naam Jeremia waarschijnlijk ook gehad bij de laatste paar koningen van Juda. Jeremia waarschuwde de koningen en het volk keer op keer dat zij zich moesten houden aan de Wet van God omdat er anders iets verschrikkelijks zou gebeuren. Hoe vaak zullen die koningen wel niet hebben verzucht: "Daar heb je hem weer met zijn onheilsprofetieën!"

Maar het onheil kwam - het kwam uit het noorden, precies zoals Jeremia voorspeld had: de Babyloniërs onder leiding van koning Nebukadnessar vielen het land binnen. Er volgden een paar grote deportatiegolven, waarin grote delen van het volk werden weggevoerd naar Babylonië. De eerste was in 597, de tweede in 586 vóór Christus. Aan de groep die bij de eerste deportatiegolf werd weggevoerd, schreef Jeremia de brief waaruit we vanmorgen een deel hebben gelezen.

In die brief slaat Jeremia ineens een heel nadere toon aan dan die we van hem gewend zijn. Hij preekt niet langer over het onheil dat zal komen over mensen die zich niet houden aan Gods Wet, maar hij troost juist de ballingen. Hij schrijft: "Dit zegt de heer: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. Mijn plan met jullie staat vast - spreekt de heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven."

Deze woorden uit de brief van Jeremia zullen de ballingen zeker hoop hebben gegeven en troost hebben geboden. God zelf zal naar de ballingen omzien, want Hij heeft hun geluk voor ogen. Hij zal hun een hoopvolle toekomst geven. Dat is natuurlijk prachtig voor de ballingen in Babel, maar de woorden van Jeremia hebben ook ons iets te zeggen. Ook voor ons zijn het troostrijke woorden.

Laten we die zinnen nog een keer lezen, maar nu niet met de Babylonische ballingen in gedachten, maar met onszelf. We betrekken de woorden van Jeremia op onszelf. "Dit zegt de heer: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn." Zeventig - het getal van de volheid. Zeventig jaar - een mensenleven. Zeventig jaar in Babel - een mensenleven buiten het paradijs; ons leven hier op aarde. "Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren." Na ons leven, een mensenleven van gemiddeld zo'n zeventig jaar, zal God naar ons omzien. Na onze dood mogen we weer in Jeruzalem wonen; na onze verbanning uit het paradijs mogen we weer terugkeren naar het paradijs, naar het nieuwe Jeruzalem.

Ondertussen, in onze tijd in Babel, hebben we wel een opdracht: "Dit zegt de heer van de hemelse machten, de God van Israël," via de brief van Jeremia, "tegen de ballingen die hij vanuit Jeruzalem naar Babel heeft laten voeren: Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en eet van de opbrengst, [.] bid tot de heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei." Kortom: ook al wonen wij niet langer in het paradijs, maar hebben wij te maken met de lasten en het lijden en de moeilijkheden van ons leven in Babel: wij moeten ons inzetten voor de aarde en iedereen die daarop leeft. De bloei van de aarde en de bloei van onze medemensen is ook onze bloei. En aan het eind van onze inspanningen mogen we weer terugkeren naar Jeruzalem.

Want dat schrijft Jeremia: "Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. Mijn plan met jullie staat vast - spreekt de heer." Sommige mensen horen in deze woorden dat God heel ons leven heeft voorbestemd, dat God ieder detail in ons leven van tevoren geregeld heeft, maar dat is niet zo. God heeft wel een plan met ons leven, Hij heeft een roeping voor ons. God roept ons om mee te werken aan zijn plan, maar het is aan ons om daar gehoor aan te geven. Er zijn omstandigheden die het plan van God tegenwerken. Toeval speelt daar een rol in. Allerlei toevalligheden kunnen een grote invloed op ons leven hebben. Als we een erge ziekte krijgen of een ernstig ongeluk, als mensen van wie we houden plotseling dood gaan, dan kunnen we soms denken dat God daar de hand in heeft. Toch is dat niet zo: het is alleen maar stom toeval.

Ook het kwaad werkt Gods plan met ons tegen. Het kwaad dat vaak de vorm aanneemt van mensen die ons dingen aandoen die God niet meer goed lijkt te kunnen maken. Maar eigenlijk zijn wijzelf wel de voornaamste tegenwerkers tegen het plan van God. Hoe vaak zijn wij niet te egoïstisch of te lui of te ongeïnteresseerd om naar God te luisteren? Maar God blijft een plan met ons leven hebben, of wij of het kwaad of het toeval nu tegenwerken of niet. "God heeft ons geluk voor ogen," schrijft Jeremia, "niet ons ongeluk: Hij zal ons een hoopvolle toekomst geven."

Zo'n zeshonderd jaar na de woorden van Jeremia gaf God ons een teken van die hoopvolle toekomst in de komst van Jezus Christus. We leven nu naar Goede Vrijdag en Pasen toe: het herdenken van de dood van Jezus en het vieren van zijn opstanding. Met zijn dood aan dat kruis heeft Hij alles wat tussen God en ons instaat uit de weg geruimd. Met zijn opstanding heeft Hij die hoopvolle toekomst voor ons mogelijk gemaakt. Want God heeft ons geluk voor ogen, niet ons ongeluk. Zo zien we dus dat de woorden van Jeremia niet alleen de verbannen Joden in Babylonië iets te zeggen hadden en troost boden, maar ook ons.

Mensen vragen me weleens wat er nu van God en de Bijbel en het geloof waar is. En ik vind het altijd moeilijk om daar een antwoord op te geven. Want het is niet te bewijzen en mijn waarheid hoeft niet voor een ander te gelden. En ik kan mijn hoop en mijn verwachting en het geluk dat ik soms ervaar door in God te geloven en mijn dankbaarheid voor de liefde van Jezus, die voor mij is gestorven en opgestaan, niet op anderen overdragen. Ik kan erover vertellen, maar ik kan niemand over de streep trekken. Dat is een zaak tussen God en ieder mens afzonderlijk.

Maar als er ergens een bewijs voor de realiteit van God en het christelijk geloof te vinden is, dan is het dit wel: zeventig jaar nadat Jeremia zijn brief schreef aan de ballingen in Babylonië, keerden de eerste Joden terug naar Israël. Zij kregen daar weer een eigen staat en hebben er nog lange tijd in voorspoed en vrede en veiligheid gewoond. Want het plan van de heer stond vast. God had hun geluk voor ogen, niet hun ongeluk.

De woorden van Jeremia, de woorden van God, zijn uitgekomen. De profetie is in vervulling gegaan voor de Joodse ballingen van toen. En dat de profetie toen voor hen in vervulling is gegaan, geeft ons de zekerheid dat diezelfde profetie straks voor ons in vervulling zal gaan.

Laten we tot slot nog eenmaal luisteren naar de woorden die Jeremia zo lang geleden op schrift heeft gesteld en die voor ieder van ons zo'n krachtige betekenis hebben: "Dit zegt de heer: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. Mijn plan met jullie staat vast - spreekt de heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven."

Amen.