Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
“De aarde nu was woest en ledig.” Het is de tweede zin van de Bijbel. Woest en ledig: dat geldt zeker voor de woestijnen van het beloofde land. De gele kaalheid van zand en rotsblokken van kalksteen, bergen en dalen, en overal spelonken en grotten. De zon staat hoog aan de hemel. Het is er heet en droog: er valt bijna nooit een druppel regen. Als je er bent, dan voel je die droogte overal: je neus en je mond zitten vol zand en stof, je keel voelt aan als schuurpapier, je haren worden stijf van het stof, zelfs je huid gaat na verloop van tijd op oud en droog leer lijken. Er groeit bijna niets; alleen enkele armzalige struikjes weten ergens wat water vandaan te halen. Een eenzame hagedis zit in de schaduw van een steen zijn siësta te houden.
In díé woestijn treffen we nu twee figuren aan. De ene is Jezus. Net gedoopt door Johannes de Doper in de Jordaan, en nu door de heilige Geest geleid in de woestijn. Vanuit het water in de droogte. De andere figuur is de duivel. Oorspronkelijk is hij door God geschapen als een goede engel, maar hij heeft zich niet staande kunnen houden in het licht van de waarheid van God. Hij is gevallen. Een gevallen engel. Hij wordt ook wel Satan genoemd, tegenstander. Tegenstander van God en tegenstander van de mensen van God. Hij is ook de verdraaier, de in-de-war-brenger. Maar hier in de woestijn is hij vooral de verleider.
Want dat is wat de duivel tot drie keer toe probeert. Verleiden. Op verschillende manieren. Eerst probeert hij Jezus te verleiden op het niveau van de lichamelijke behoeften. Want de menselijke aandrang om tegemoet te komen aan lichamelijke behoeften is zeer sterk. Als je dorst hebt, dan wil je drinken. Als je het koud hebt, dan zoek je de warmte op. En als je honger hebt, erge honger, zoals Jezus in de woestijn, dan wil je eten. “Toe maar,” zegt de duivel. “Als je de Zoon van God bent, dan kun je net zo gemakkelijk deze steen in een brood veranderen als water in wijn.” Het is een sterke verleiding, maar Jezus geeft er niet aan toe. Hij citeert de Schrift. “De mens leeft niet van brood alleen,” zegt Hij. Integendeel: de mens is eerst helemaal afhankelijk van God en pas dan ook van brood. De weg naar het brood loopt via God, niet andersom. Als we eerst brood eten, als we eerst onze lichamelijke behoeften bevredigen, dan voelen we ons daarna niet meer zo afhankelijk van God.
Dit lukt de duivel dus niet. Hij probeert wat anders. Nu wil hij Jezus verleiden op het niveau van de maar al te menselijke behoefte aan macht en roem. De macht om precies dát te doen wat we willen doen; de macht om te kopen wat we willen hebben. En bovendien willen we daar graag om bewonderd worden. Bewonderd om wat we doen, bewonderd om wat we hebben. De aandrang om tegemoet te komen aan deze behoeften is ook zeer sterk. De duivel wil daar nu gebruik van maken. Hij biedt Jezus deze macht en roem aan. Bijna achteloos verbindt hij er nog wel een voorwaarde aan: Jezus moet de duivel aanbidden. Hij moet dus zijn ziel aan de duivel verkopen. Ook nu bezwijkt Jezus niet voor de verleiding. Hij citeert de Schrift weer: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”
Het lukt de duivel dus niet om Jezus te verleiden door in te spelen op zijn behoeften. Hij probeert weer iets anders. “Laat maar eens zien,” zegt de duivel eigenlijk tegen Jezus, “dat je zó op God vertrouwt dat je je van het dak van de tempel durft te storten.” Het is een heel doortrapte verleiding, want de duivel citeert nu zelf de Schrift. Hij zegt: “In Psalm 91 staat toch dat God zijn engelen opdracht zal geven om over u te waken?” Dit is heel listig van de duivel, want dat staat er inderdaad. We hebben daar vanmorgen uit gezongen. In Psalm 91 staat dat God de mensen die op Hem vertrouwen zal behoeden in tijden van gevaar. Maar er staat nergens dat mensen dat gevaar dan ook maar zelf moeten gaan opzoeken. Dat ze, met andere woorden, God op de proef mogen stellen. Dus ook nu citeert Jezus de Schrift weer: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.” En ook nu blijft Hij standhouden.
Drie keer probeert de duivel Jezus te verleiden. Drie keer lukt hem dat niet. De duivel verliest op alle fronten. Uiteindelijk geeft hij het op en verdwijnt. Je ziet hem als het ware met de staart tussen de benen vertrekken, Jezus als overwinnaar achterlatend. Maar toch. Ergens vraag ik me onwillekeurig iets af tijdens het lezen van deze geschiedenis uit Lucas 4. Er wringt iets. Er lijkt iets niet in orde met dit verhaal. Twee figuren in de woestijn: Jezus en de duivel. En Jezus wordt door de duivel blootgesteld aan vreselijke verleidingen. Maar waarom laat God de duivel gewoon zijn gang gaan? Waarom doet God niets? Waarom grijpt Hij niet in? Waar is Gód dan?
Waar is God? Het is een vraag die vele keren in de loop van de geschiedenis gesteld is en nog steeds vaak gesteld wordt. Waar is God? Waar is God als wij lijden. Waar is God als wij blootgesteld worden aan verzoekingen? Waar is God als wij ons bevinden in de woestijn van ons leven?
Waar is God? Dat vraagt ook die oude man in het verzorgingshuis. Zijn vrouw is al jaren geleden overleden. Zijn oude vrienden en kennissen komen niet meer of zijn ook al gestorven. Zijn kinderen ziet hij zelden. Hij durft niet echt de deur meer uit. Eigenlijk zou hij er het liefste een punt achter zetten. “Waar is God?”, vraagt hij.
Waar is God? Dat vragen die jonge ouders van dat doodgeboren kindje. Ze waren zo blij dat zij eindelijk zwanger was geworden. Ze hadden ook zo uitgezien naar de geboorte. Maar er ging iets mis en het kindje redde het niet. Hoe kon dat gebeuren? “Waar is God?”, vragen ze.
Waar is God? Dat vraagt dat meisje van 3 havo. Ze zit daar links achterin de klas. Ze wordt zo vreselijk gepest op school. Iedere dag ziet ze er weer tegenop om naar school te gaan. Weer zo'n dag vol pesterijen. Soms loopt ze rond met gedachten aan zelfmoord. Want ze weet niet wat ze tegen dat pesten moet doen. Ze gaat zichzelf ook steeds minderwaardiger vinden. “Waar is God?”, vraagt ze.
Waar is God? Dat vraagt die man in Ethiopië. Al jarenlang is de oogst mislukt door droogte. Het kleine beetje eten wat er nog is, geeft hij aan zijn kinderen. Maar als hij en zijn vrouw niet eten, dan gaan ze dood. En wie zorgt er dan voor de kinderen? “Waar is God?”, vraagt hij.
Waar is God? Het is de vraag die mensen telkens weer stellen als ze geconfronteerd worden met ellende, met pijn, met verdriet, met lijden. Als ze verzocht worden in de woestijn. Waar is God en waarom doet Hij niets? Het is misschien wel de oudste vraag op de wereld. En de vraag die het meest gesteld wordt. Altijd en overal hebben mensen die vraag gesteld en ook telkens weer geprobeerd om er een antwoord op te vinden. Want het is zo'n diepe en belangrijke vraag. Een vraag die ons raakt tot in het diepst van onze ziel. Een vraag waarop we soms wanhopig proberen een antwoord te vinden. Een vraag op leven en dood. Maar hoe kunnen we deze vraag beantwoorden? Laten we eerst eens kijken welke antwoorden mensen al gegeven hebben op deze vraag.
Eén van de antwoorden die mensen geven op de vraag “Waar is God?” is ongeveer als volgt. “Dat ik nu in de woestijn ben,” zo zeggen zij, “dat ik nu lijd, dat komt omdat ik gezondigd heb. Dat ik in het verleden verkeerde dingen gedaan heb, verkeerde keuzes gemaakt heb. Misschien wil God mij daarvoor wel straffen. Mijn lijden is dus mijn eigen schuld. Als ik maar niet gezondigd had, dan had ik nu niet hoeven lijden.” Het lijden als straf voor de zonde. Maar deze mensen zien God eigenlijk als de grote bestraffer van de zonde.
Een ander antwoord op de vraag “Waar is God?” is dat God weliswaar ooit eens de wereld en zijn bewoners geschapen heeft, maar dat Hij zich er daarna nooit meer mee bemoeid heeft. Dat God de wereld als het ware als een groot uurwerk gemaakt heeft, en dat die klok nu op eigen kracht afloopt. Al het lijden wordt veroorzaakt door de mensen zelf of door de natuur. Mensen maken oorlogen en doen elkaar verdriet. En de natuur zorgt voor ziekte en aardbevingen. Maar God heeft met dat alles niets te maken. Want God houdt zich niet meer bezig met de wereld. God ziet de wereld en alles wat erop gebeurt niet. God is blind voor ons lijden, voor onze wereld, voor ons mensen. God is de blinde klokkenmaker.
En tegenwoordig zijn er, zeker in de westerse landen, in Nederland, steeds meer mensen die de vraag “Waar is God?” beantwoorden door te zeggen: “God is helemaal nergens, want Hij bestaat niet.” Zij kunnen het lijden niet meer rijmen met het bestaan van een liefdevolle God. “Ofwel bestaat God,” zo zeggen ze, “en dan kan er geen lijden zijn, want God wil geen lijden. Ofwel is er lijden, en dan kan God dus niet bestaan. Want omdat er overal op de wereld mensen lijden, moet de conclusie wel luiden dat God niet bestaat.” De vraag “Waar is God?” wordt dus beantwoord met: “Hij is helemaal nergens.”
Laat ik eerlijk met u zijn: geen van deze antwoorden vind ik bevredigend. Je hebt eigenlijk helemaal niets aan deze antwoorden. God als de grote bestraffer van de zonde? Wat een verschrikkelijk idee. God als de blinde klokkenmaker? Maar wat heb je aan zo'n god? God dan als een niet bestaande, een afwezige god? Zoals gezegd, het is een antwoord dat steeds meer mensen aantrekkelijk vinden. Maar de wereld waar God uitgebannen wordt, lijkt wel steeds kouder, steeds leger te worden. Een wereld zonder God is ook een wereld zonder menselijkheid.
Laat ik nog eerlijker met u zijn: ik weet het antwoord op de vraag waar God is in ons lijden ook niet. Ik weet ook niet wat ik moet zeggen tegen die oude man in het verzorgingshuis, tegen die jonge ouders van dat doodgeboren kindje, tegen dat meisje van 3 havo, tegen die man in Ethiopië. Er is misschien wel helemaal geen antwoord te vinden op de vraag waar God is als wij lijden, waarom God er niets aan doet.
Moeten we het niet van een andere kant bekijken? Want als we wanhopig blijven proberen om een antwoord te vinden, dan lopen we vast. Dan gaan we denken dat God de grote bestraffer van de zonde is. Of de blinde klokkenmaker. Of zelfs dat God helemaal niet bestaat. Het lijkt wel of we bij het zoeken naar een antwoord steeds verder van God komen te staan. God wordt steeds minder belangrijk en uiteindelijk verdwijnt Hij uit zicht, verdwijnt Hij uit ons bestaan. En daarmee snijden wij de weg die God met ons wil gaan af. De vraag “Waar is God?” kan dus een hele gevaarlijke vraag zijn. Een doortrapte vraag. Misschien wel. een duivelse vraag.
Laten we terugkeren naar de geschiedenis van Lucas 4. De gebeurtenis in de woestijn. De duivel die Jezus probeert te verleiden. In dit verhaal klinkt de echo van een ander verhaal. Waren niet ook eens Adam en Eva op de proef gesteld? De slang in de hof van Eden verleidde hen tot het eten van die vrucht. De vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad. En ze gingen door de knieën voor die verleiding. Ze hielden niet stand. En daarmee raakten ze van God vervreemd. Ze mochten niet meer bij God in het paradijs wonen. Zo raakten ze ver verwijderd van God en van de weg die God met hen wilde gaan.
En dat is precies wat de duivel nu met Jezus wil. Hij wil Hem afhouden van God en van de weg die Jezus moet gaan. De weg naar Jeruzalem. De weg naar Goede Vrijdag en Pasen. Dat is de weg van het lijden, de zware weg, de moeilijke weg. En zo probeert hij Jezus op alle mogelijke manieren te verleiden om die weg niet te gaan. Om te kiezen voor de gemakkelijkste weg. Om te kiezen voor de duivel. Maar Jezus houdt stand tegen de verleider en kiest radicaal tegen de duivel en vóór God. Wat Adam en Eva niet lukten, kan Jezus wel. En daarmee ligt dan de weg voor Hem open. De weg van God. De weg naar Jeruzalem en het kruis en het lege graf.
Maar hoe zit het dan met de vraag “Waar is God in ons lijden?” Is dat nu een verkeerde vraag geworden? Een vraag die we niet meer mogen stellen? Zeker niet! Want het blijft een diep-menselijke vraag. Maar ik denk dat we ons niet door die vraag moeten laten leiden. Dat we ons niet door die vraag moeten laten ver-leiden. Want uiteindelijk staan we dan met lege handen. Uiteindelijk raken we ver verwijderd van God en van de weg die God met ons wil gaan. We zullen dus weerstand moeten bieden tegen die verleiding. En dus zullen wij net zo radicaal als Jezus moeten kiezen tegen de verleider en vóór God.
Amen.