Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 12 februari 2006
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Liturgie

Aanvangslied
Psalm 34:1, 2, 7, 9
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed van toenadering en kyrie
Gloria
Gezang 169:1, 5, 6
Gebed om verlichting met de heilige Geest
Schriftlezing
Lied
Gezang 8
Schriftlezing
Lied
Gezang 482:1, 5, 6, 7, 8
Preek
Lied
Psalm 86:1, 2, 4
Gebeden
Inzameling van de gaven
Slotlied
Gezang 381:1, 2, 4, 5
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Twijfelt u weleens? En dan bedoel ik niet de dagelijkse huis-tuin-en-keukentwijfel van: “Zal ik vandaag mijn blauwe trui aantrekken of toch maar dat vest met die grote knopen?” Nee, ik bedoel twijfel die dieper ingrijpt in jezelf. Existentiële twijfel, heet dat met een mooi woord. Twijfel die gaat over je eigen bestaan, je eigen persoon. Waarom leef ik? Wat doe ik hier op aarde? Waarom maak ik van die erge dingen mee - de dood van iemand in mijn omgeving, ziekte, financiële problemen, problemen met mijn familie of vrienden? Twijfel aan jezelf omdat je dingen verkeerd hebt gedaan, omdat je dingen hebt gedaan die je niet had moeten doen, omdat je andere dingen juist niet hebt gedaan, terwijl je ze wel had moeten doen.

Misschien bent u niet zo’n twijfelaar. Misschien bent u wel zeker van alles wat u doet. Dan is deze preek niets voor u. Misschien is dan zelfs wel het christelijk geloof niets voor u. Maar eigenlijk denk ik dat alle mensen bij tijd en wijle weleens twijfelen aan zichzelf en aan de zin van hun leven, ja aan God zelf.

Mozes was ook zo’n twijfelaar die aan van alles en nog wat twijfelde. Mozes is zo iemand in de Bijbel aan wie je je altijd zo mooi kunt spiegelen, vind ik. Aan het begin van zijn volwassen leven is een van zijn eerste daden dat hij een Egyptenaar vermoord omdat deze een van Mozes’ volksgenoten had geslagen. Iemand vermoorden is zo ongeveer het ergste dat je maar kunt doen. Toch wordt Mozes dan door God geroepen om zijn volk te leiden. Dat vind ik dan zo mooi: hoe bont je het ook maakt, God zal je altijd willen vergeven. Maar dit even terzijde. Het ging erover dat Mozes zo’n twijfelaar was.

We horen er voor het eerst van juist als Mozes door God geroepen wordt. Mozes zegt dan: “Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?” Hij twijfelt ontzettend aan zichzelf. Dit kan ik helemaal niet. Ik ben er toch niet de juiste persoon voor om dat te doen? Ik ben maar een gewoon mens, en ik beschik niet over de bekwaamheid om mijn volk uit Egypte te leiden. Maar God zegt dan tegen hem: “Ik zal bij je zijn.”

Maar Mozes maakt weer bezwaar: “Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren. Ze zullen zeggen: ‘De heer is helemaal niet aan jou verschenen.’” Maar ook dit lost God voor hem op. Maar even later zegt Mozes dan weer tegen God: “Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu u tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden.”

Mozes blijft aan zichzelf twijfelen. We zouden hem nu iemand met een laag zelfbeeld noemen, of we zouden zeggen: “Hij heeft een minderwaardigheidscomplex.” Maar hij twijfelt zich intussen toch maar een weg naar het beloofde land, samen met het volk Israël. Met de hulp van God staat hij op een gegeven moment op de drempel van dat beloofde land. Mozes heeft gedurende zijn hele leven vertrouwd op God - op één keer na. Op een keer, toen het volk geen water meer had en Mozes daar de schuld van gaf, moest Mozes van God een rots het bevel geven om water te geven. Maar Mozes twijfelde weer, nu aan het woord van God, en hij sloeg met zijn staf op de rots in plaats van die rots te bevelen. En als straf voor die twijfel mocht hij het beloofde land niet binnengaan. Aan het woord van God valt nu eenmaal niet te twijfelen.

Zo is Mozes zijn hele leven blijven twijfelen. Twijfelen aan zichzelf en twijfelen aan God. Maar vlak voor zijn dood, net voordat het volk het beloofde land zou binnentrekken, zong Mozes het lied dat we vanmorgen hebben gelezen. Geen spoor van twijfel is daarin terug te vinden. Aan het eind van zijn leven twijfelde Mozes niet meer.

Maar gedurende zijn hele leven, behalve aan het eind dus, is Mozes een twijfelaar geweest. Hij heeft getwijfeld aan zichzelf en aan God. Maar het vreemde is, vind ik, dat hij bleef twijfelen. Ondanks zijn directe communicatielijn naar God. Als je de bijbelboeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium leest, dan krijg je de indruk dat Mozes bijna dagelijks met God sprak. Hij hoefde als het ware de hoorn van de telefoon maar op te pakken of hij had God aan de lijn. Je zou zeggen dat als je zo direct met God kunt spreken, je helemaal geen twijfel meer zou hebben.

Maar het gebeurt wel vaker dat mensen die een direct contact met God hebben toch twijfelen en dan, zelfs dan nog, de verkeerde beslissing nemen. We hebben het verhaal gelezen over die man met een ernstige huidziekte. Huidvraat wordt het in De Nieuwe Bijbelvertaling genoemd. Tot voor kort werd die man met huidvraat een melaatse genoemd. Waarom is dat nu niet meer zo?

In het bijbelboek Leviticus wordt de ziekte beschreven. Het is een ziekte die de huid van mensen aantast. Maar diezelfde ziekte kan ook voorwerpen treffen. Er kunnen plekken op stof of op leer of zelfs op huizen worden aangetroffen. Maar melaatsheid is een ziekte die alleen mensen kan treffen, geen voorwerpen. Dus het moet een ander soort ziekte zijn geweest. Welke ziekte dat was, is niet meer bekend. Daarom hebben de vertalers van De Nieuwe Bijbelvertaling besloten om een nieuw woord te bedenken voor deze ziekte: huidvraat.

Het was hoe dan ook niet fijn als je deze ziekte kreeg. In Leviticus wordt beschreven wat je dan moest doen. “Wie door huidvraat aangetast is,” staat er, “moet zijn kleren scheuren, zijn haar los laten hangen, baard en snor bedekken en ‘Onrein, onrein!’ roepen. Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als onreine moet hij apart wonen en buiten het kamp verblijven.” Buiten het kamp, want het volk Israël was nog op reis naar het beloofde land. Later moesten deze zieken buiten de stad of het dorp verblijven.

Het werden dus een soort paria’s, uitgestoten uit de gemeenschap. Stel je voor dat dat vandaag de dag nog steeds zo zou zijn. Als dan op een dag vastgesteld zou worden dat je die ziekte had, dan moest je direct je huis en je geliefden verlaten om ergens in het Vriescheloërbos of bij het Veendiep in een boomhut te gaan wonen. Voor eten was je afhankelijk van je familie, als die tenminste nog bij je in de buurt durfde komen, of van je eigen handigheid om een pijl en boog te maken om af en toe een fazant of een ree te schieten.

In deze afschuwelijke situatie bevond de man die bij Jezus kwam zich. We weten niet hoe hij van Jezus gehoord had, maar het is duidelijk dat hij niet alleen wist wie Jezus was, maar ook wist dat hij een man van God was, met de macht om hem beter te maken, want hij zei: “Als u wilt, kunt u mij rein maken.” Jezus wilde het. Hij had medelijden met hem en maakte hem beter. Hij droeg de man op om naar de priester te gaan om precies te doen wat in Leviticus beschreven staat voor het geval dat iemand die door huidvraat getroffen is, weer rein kan worden verklaard.

Maar Jezus droeg de man ook op om tegen niemand te zeggen dat Jezus hem beter had gemaakt. Waarom Hij dat deed? Jezus was op weg gegaan om het goede nieuws over zijn komst aan iedereen te vertellen, niet om al zijn tijd te besteden aan het opzetten en onderhouden van een huisartsenpost. Als het nieuws over zijn macht om zieken te genezen zich zou verspreiden, dan zou hij geen tijd meer overhouden voor zijn echte roeping.

Maar net als Mozes twijfelde aan de woorden van God, zo trok deze man de woorden van Jezus in twijfel. Hij bazuinde het verhaal over zijn wonderbaarlijke genezing overal rond. Hoe kon hij ook anders? De man was waarschijnlijk halfgek van vreugde dat hij weer onder de mensen kon komen en zijn gewone leven weer kon oppakken!

We keren weer terug naar onze eigen twijfel. Onze twijfel aan onszelf, onze twijfel aan de zin en het doel van ons leven, onze twijfel aan God, onze twijfel over de dingen die we doen en nalaten, kortom: onze existentiële twijfel. Daar hoort ook onze angst bij: angst voor ziekten en angst voor de dood. Zorgen over een onzekere toekomst, zorgen over anderen en over jezelf. Wat doen we daarmee als zelfs de mensen die dichtbij God zijn, zoals Mozes en de man met huidvraat, als zelfs díé mensen twijfelen? Wat moeten wij dan?

Het antwoord ligt besloten in het verhaal over het leven van Mozes. Ondanks dat hij twijfelde, ondanks zijn moeilijkheden op de weg naar het beloofde land als leider van zijn volk, ondanks de fouten die hij maakte, bleef hij dicht bij God. En omdat Mozes God zocht, God betrok bij alles wat hij deed en ondernam, zocht God hem, en werd hij door God geholpen. Ook de man met de huidvraat zocht Jezus op. En de man werd door Jezus geholpen. Misschien is dat wel het geheim van ons leven: als je God zoekt, dan zal Hij je helpen, dan zal Hij je nabij zijn.

Dat klinkt als een simpel recept voor het goede leven. Je bidt en je vraagt God om bij je te zijn en je te helpen, en dan verloopt je leven zonder verdere problemen. Maar zo is het niet. Bidden is iets anders dan het inzenden van een verlanglijstje: het is een levenshouding. Vragen of God bij je wil zijn, vereist dat jij bij God wilt zijn. Ook dat is een levenshouding. Van de man met de huidvraat weten we verder niets, maar Mozes heeft zijn leven lang moeten werken aan die houding. Hij zocht God ondanks zijn twijfel. Hij zocht God ondanks zijn moeite in het leven. Hij zocht God in alles wat hij deed en ondernam. En God vond hem.

In gezang 37 van het Liedboek voor de kerken is God aan het woord. God zegt daar tegen ons:
“Gij zult Mij zoeken, zult Mij vinden,
als gij van harte vraagt.
Zie, uw ellende loopt ten einde
en uw verlossing daagt.
Want Ik zal voor uw vrijheid strijden
en overal vandaan
zal Ik u voorgaan, u geleiden
naar huis, naar Kanaän.”

Amen.