Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Weet u nog wat u hebt gedaan op 24 november? Als het niet toevallig uw verjaardag was of zo, dan vermoed ik dat u het niet meer weet. Ik weet het namelijk ook niet meer. Ik neem aan dat ik die dag íéts gedaan heb. Ja, gegeten en geslapen en dat soort dingen die je iedere dag doet. Maar verder? Ik weet het niet meer. Toch is het pas een maand geleden!
Maar ik weet nog vrij nauwkeurig wat ik heb gedaan op een bepaalde dag in 2001. Op die dag was ik bezig met het voorbereiden van een presentatie die ik de volgende dag zou moeten houden op de universiteit. De hele dag was ik aan het vertalen en aan het proberen een verklaring te vinden van een klein stukje van het achtste hoofdstuk van het Marcus-evangelie. Dat stukje gaat over de belijdenis van Petrus dat Jezus de messias is. En Jezus verbiedt dan de leerlingen om hierover met anderen te spreken. Waarom deed Hij dat? Dat was de vraag die me een groot deel van die dag had beziggehouden. Mijn vrouw was een dagje winkelen en de kinderen waren naar school, dus ik had lekker door kunnen werken.
Het was ondertussen even over half vier geworden toen ik trek in koffie kreeg. Terwijl ik koffie aan het zetten was, bedacht ik me dat ik wel even met dat kopje koffie voor de buis kon gaan zitten om naar het Journaal van vier uur te kijken. Ik zette dus de televisie aan en het eerste wat ik zag waren de brandende torens van het World Trade Center in New York. Eerst dacht ik nog dat ik midden in een of andere rampenfilm was beland, maar al snel drong tot me door dat dit echt gebeurde.
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zó ontdaan was. Ik wist niet meer waar ik het zoeken moest: dit kón toch niet waar zijn? Zo iets afschuwelijks gebeurt toch alleen maar in films, niet in de werkelijkheid? Toen mijn vrouw thuiskwam, trof ze me helemaal van streek aan op de bank, kijkend naar het instorten van de beide torens in de wetenschap dat er nog duizenden mensen in die gebouwen aanwezig waren.
Een diepe schok, ik kan het niet anders zeggen. En ik denk dat ik daarom nog precies weet wat ik op die dag heb gedaan. Je probeert op de een of andere manier zo’n enorme gebeurtenis een plek te geven in je gewone dagelijkse leven. Ik hoor dat ook weleens van mensen die de moord op president Kennedy hebben meegemaakt: dat ze precies wisten waar ze waren en wat ze aan het doen waren op het moment dat ze hoorden van die moord. Aan de ene kant heb je zo’n buitengewone gebeurtenis en aan de andere kant je gewone dagelijkse leven. En die twee botsen krachtig op elkaar. Ik denk dat je je daarom altijd je eigen situatie van zo’n moment blijft herinneren.
Natuurlijk hoeft zo’n buitengewone gebeurtenis niet iets negatiefs te zijn. Er zijn ook adembenemende gebeurtenissen die heel positief zijn. Ik heb datzelfde namelijk ook weleens gehoord van mensen die in 1945 de bevrijding hebben meegemaakt. En het gebeurt bijvoorbeeld ook als je kinderen worden geboren of als je na lang en hard werken eindelijk slaagt voor een examen. Dat zijn momenten waarbij je je eigen omstandigheden altijd helder voor ogen zult blijven houden.
Maar waarom begin ik nou zo’n preek op kerstavond met die verschrikkingen van 11 september? Dat zal ik u vertellen. Want het gaat me eigenlijk niet eens zozeer om die gebeurtenis zélf, maar veeleer om de schok die ik voelde - en die u misschien ook wel gevoeld heeft - bij het horen van dat vreselijk schokkende nieuws. Weet u nog hoe u zich toen voelde?
Probeer dat gevoel nog even vast te houden, want we gaan het nu over iets totaal anders hebben. We gaan namelijk naar die herders van het kerstevangelie. Die herders zitten namelijk niet voor niets in het kerstverhaal. Het is natuurlijk leuk dat de kinderen van de zondagsschool een mooie soepjurk kunnen dragen als ze herdertje spelen in het kerstspel, maar dat is niet de belangrijkste reden dat er herders meedoen aan het kerstverhaal. Nee, die herders zijn er omdat ze óns vertegenwoordigen. Wíj allemaal zijn die herders. Zij zijn als het ware onze plaatsvervangers en getuigen. Daarom zijn die herders zo belangrijk in het kerstevangelie.
Want zij maakten op die eerste kerstavond ook een ontzettend schokkende gebeurtenis mee. Het begon ermee dat ze ergens in het veld midden in de nacht de wacht hielden bij hun kudde. Ik stel me zo voor dat het donker is en koud, en dat ze een kampvuurtje gestookt hebben om een beetje warmte en licht te hebben. Ze zitten zachtjes te praten over de dingen die hen bezighouden: over het weer of over het voetbal.
En dan, ineens, zonder nadere aankondiging, staat die engel daar. Ze schrikken zich wezenloos. Ik kan me dat wel indenken. Het is, denk ik, vooral het onverwachte van die gebeurtenis die ze zo aan het schrikken maakt. Maar van de engel zelf hebben ze niets te vrezen. Hij zegt het zelf: “Wees niet bang.” Dit is dus nog niet de ontzettend schokkende gebeurtenis waar ik het over had.
Dan begint die engel te praten: “Ik kom jullie goed nieuws brengen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer.” Dat is natuurlijk belangwekkend nieuws, maar die herders zijn geen jongens die over één nacht ijs gaan. Want die herders waren echt niet de zoete lieve herdertjes uit onze kerstliederen. Het waren waarschijnlijk eerder een stelletje rauwe bonken met een eerst-zien-en-dan-geloven-mentaliteit. Dus ook de boodschap van de engel is niet die ontzettend schokkende gebeurtenis.
Vervolgens komt er wat dan genoemd wordt “een groot hemels leger” dat God prijst met de woorden: “Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.” We gaan er altijd maar van uit dat die engelen dat zongen, maar zoals mevrouw Groenbroek een paar weken geleden al heeft uitgelegd: er staat helemaal niet dat zij dit zongen. Er staat dat zij God met woorden prezen. Natuurlijk laat dat de mogelijkheid open dat de engelen die woorden gezongen hebben. In ieder geval: er staat niet bij dat de herders hiervan ook schrokken.
Ik kan me eerlijk gezegd niet zo veel bij dat plotselinge verschijnen van dat grote hemelse leger voorstellen. Zou je daarvan schrikken? Stel je voor dat je ’s avonds laat in het donker over een stil landweggetje loopt en dat dan ineens vanuit de bosjes keihard het Urker Mannenkoor losbarst. In eerste instantie schrik je daar wel van, denk ik, maar zou je je even later niet afvragen wat al die mannen daar ’s avonds laat in die bosjes deden? Ik denk dat ook de herders zich afvroegen waarom dat grote hemelse leger nu zo nodig was. Ook dit is nog niet de ontzettend schokkende gebeurtenis die ik bedoelde.
Ze gingen naar Betlehem, die herders, om met eigen ogen te zien wat er gebeurd was. En daar, in Betlehem, volgde die voor de herders meest schokkende gebeurtenis. Ze troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. En dan staat er alleen maar: “Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd.” Maar het belangrijkste blijft ongezegd. Want toen de herders zich over die voederbak bogen zagen ze het pasgeboren baby’tje liggen. En op dat moment moeten ze in de ogen van het jongetje gekeken hebben. Maar ze keken niet in de ogen van een baby’tje, nee, ze keken in de onmetelijke diepten van de ogen van God. Zij aanschouwden de ontzagwekkende Schepper van hemel en aarde, de Heerser van tijd en eeuwigheid, degene die de sterren en de planeten hun plaats had gegeven in de oneindige ruimte.
Dát moet de grootst mogelijke schok geweest zijn voor die herders. Ze zagen God in de gedaante van een mensenkind. Wat is er menselijker dan een klein, pasgeboren baby’tje? En wat is er goddelijker dan God in hoogsteigen Persoon? Dát is het niet met het verstand te begrijpen mysterie van Kerstmis - de nacht dat God afdaalde vanuit de hemel naar de aarde om mens te worden in Jezus Christus. Op een wonderlijke manier werd God één van ons, onze naaste, ons medemens. Die verre, oneindig machtige God nam de gestalte aan van een dienstknecht en werd aan ons gelijk. De oneindige macht van God werd de weerloosheid van het jongetje Jezus.
Goddelijke grootsheid werd menselijke nietigheid om die oerzonde van de mensheid weg te nemen: de zonde van het gelijk willen zijn aan God, de zonde dat wij zelf uitmaken wat goed is en wat kwaad. Wij kregen daarvoor de zwaarst mogelijke straf: de doodstraf. De rechtvaardigheid van God eiste dat wij die straf volledig zouden ondergaan. Maar de liefde van God maakte dat Hijzelf die straf op zich nam door als mens in onze plaats de straf te dragen. Ziedaar het mysterie van Kerst.
Na 11 september werd gezegd dat de wereld nooit meer hetzelfde zou zijn, dat wat er was gebeurd de wereld voorgoed zou hebben veranderd. Maar al snel hernam alles weer zijn gewone gang. Ook de meest vreselijke schok neemt snel in kracht af. Zo is het ook met 25 december gegaan - toch de meest schokkende gebeurtenis ooit. Wij voelen niet meer het ontzag van de herders. Toch kunnen we niets anders dan onder de indruk zijn van de ontzagwekkende liefde van God voor ons. Dat Hijzelf mens geworden is, één van ons, toont zijn onmetelijke liefde.
Amen.