Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
In de kerkorde van onze kerk wordt gesproken over onze “onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël”. Een van de manieren waarop de kerk daar invulling aan probeert te geven is het houden van een zogenaamde Israëlzondag op de eerste zondag van oktober. Vandaag is het de eerste zondag van oktober en dus is het Israëlzondag.
Maar wat moeten we daarmee? Israëlzondag? Onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël? Want je zou natuurlijk kunnen zeggen dat het iedere zondag Israëlzondag is. Zondag aan zondag hebben we het over het volk Israël als we het Oude Testament lezen. En als we over het Nieuwe Testament praten, dan gaat het over Jezus Christus. En Jezus is geboren als Jood in het land Israël. Zijn we dus niet al genoeg doordrongen van onze onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël?
Maar als het in de kerk over Israël gaat, dan spreken we altijd in de verleden tijd. De tijd van het Oude en het Nieuwe Testament. Gaat die onopgeefbare verbondenheid niet veel meer over de tegenwoordige tijd? Hoe we nú moeten omgaan met het Joodse volk en de staat Israël? Maar het probleem is dan dat je de politieke situatie in het land Israël niet kunt vermijden. En politiek in preken is altijd een hachelijk avontuur. Want je loopt de kans dat de mensen die het niet met je eens zijn boos de kerk uitlopen.
Toch kunnen we de politiek niet omzeilen als we het hebben over die onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël. Want als we het over het vólk Israël hebben, dan gaat het ook over het lánd Israël en over het probleem tussen de Joden en de Palestijnen. Maar dát probleem kunnen we alleen goed begrijpen, als we eerst de geschíédenis goed begrijpen. En dan bedoel ik niet de geschiedenis van het vólk Israël, want veel daarvan kennen we al. Maar ik bedoel de geschiedenis van het lánd Israël. Daar hebben namelijk vanaf de tijd van Abraham ook steeds andere volken gewoond en geleefd.
Laten we deze geschiedenis zo rond 1800 voor Christus beginnen. Toen riep God Abraham op om te gaan wonen in een land dat God hem zou tonen. In Genesis 15 staat: “Die dag sloot de heer een verbond met Abram. 'Dit land,' zei hij, 'geef ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat: het gebied van de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten, de Hethieten, Perizzieten en Refaïeten, de Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.'”
Abraham heeft er inderdaad gewoond met zijn familie. Je kunt dan nog niet echt over een volk spreken. Hij woonde daar in dat land dus te midden van een heleboel volken. Zo ook zijn zoon Isaak en diens zoon Jakob. Deze Jakob kreeg later de naam Israël. Maar zíjn zoon, Jozef, kwam zo rond 1600 voor Christus in Egypte terecht. U kent het verhaal vast wel. De familie van Jozef bleef lange tijd in Egypte wonen en groeide daar uit tot een echt volk. Het volk Israël.
Maar in Egypte vervielen ze tot slavernij, totdat God rond 1200 voor Christus Mozes riep om zijn volk te leiden naar het eerder beloofde land. Ook dat is een bekend verhaal. Mozes maakte het niet meer mee, maar onder leiding van Jozua viel het volk het land binnen. Daar woonden nog steeds de al eerder genoemde volken. Tijdens de periode dat de Joden in Egypte waren, waren die volken daar blijven wonen, maar nu werden ze aangevallen en veroverd door het volk Israël.
Dit volk vestigde zich dan in het beloofde land, maar al die andere mensen bleven er ook gewoon wonen. Dat gaf weleens spanningen, maar vaak ook leefden ze rustig naast elkaar. Na Jozua werd het land bestuurd door rechters. Een van hen was Gideon, over wie we vanmorgen hebben gelezen. Hij verdedigde het land tegen de Midjanieten, een buurvolk. In het boek Rechters staat dat God de aanvallen van die buurvolken gebruikte om Israël een lesje in gehoorzaamheid te leren.
Maar de volken van het land zélf en het volk Israël leefden de meeste tijd vreedzaam naast elkaar. En zo had God het ook bedoeld. Hij had aan het volk Israël zelfs wetten gegeven om die volken te beschermen. Zij hadden grotendeels dezelfde rechten en plichten als de Joden.
Nu slaan we een hele periode over: de periode vanaf 1000 voor Christus. De periode van de koningen Saul, David en Salomo en alle koningen die daarna kwamen. De periode van overheersing door andere volken. De periode van de Babylonische ballingschap en de terugkeer naar het land. Gedurende al die tijd van duizend jaar woonden er Joden en andere mensen in het land, meestal in vrede naast elkaar.
We pakken de draad weer op op het moment dat de Romeinen Israël binnenvallen. De eerste eeuw voor Christus. Want die Romeinen deden iets bijzonders. Zij noemden het land niet Israël, maar gaven het de naam van een ander volk dat in het land woonde: de Filistijnen. Alleen hadden die Romeinen een spraakgebrek of ze waren Oost-Indisch doof, ik weet het niet precies, maar ze verbasterden het woord Filistijnen tot Palestijnen. En het land ging dus Palestina heten.
Rond 100 na Christus waren er een paar grote opstanden van de Joden tegen de Romeinen. Dat had tot gevolg dat de meeste Joden het land moesten verlaten. Het begin van de diaspora. Toch bleven er Joden in het land wonen, naast de afstammelingen van al die andere volken die er vroeger al woonden. Ook kwamen er Grieken en Romeinen wonen.
De Romeinse overheersing duurde tot de zevende eeuw na Christus. Toen veroverden de Arabieren het land op de Romeinen. Er kwamen nu ook Arabieren wonen, naast al die mensen die er al woonden. Zo langzamerhand een mengelmoes van volken, culturen, talen en religies. En natuurlijk werd er ook over en weer getrouwd en kwamen er kindertjes met een gemengde afkomst.
We maken weer een grote sprong in de geschiedenis. Gedurende al die tijd werd het land bestuurd door moslims. Op een gegeven moment waren de Turken de heersers in het land, maar zij raakten het in de Eerste Wereldoorlog weer kwijt aan de Engelsen. Vanaf het eind van de negentiende eeuw waren er weer meer Joden in het land komen wonen. Zij werden in grote delen van Europa vervolgd en de pogroms dwongen hen om in Palestina te gaan wonen.
Direct na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog kwamen ze in groten getale naar Palestina. En toen de Engelsen het land verlieten, zagen de Joden hun kans schoon en riepen op 15 mei 1948 de staat Israël uit. Diezelfde dag nog vielen alle Arabische buurlanden in een gezamenlijke inspanning Israël binnen. Wonder boven wonder werd die oorlog gewonnen door de Joden. Bijna een miljoen Palestijnen vluchtten naar de Gazastrook en de westelijke Jordaanoever. De Gazastrook hoorde toen bij Egypte en de westelijke Jordaanoever bij Jordanië. Slechts een klein deel van de Palestijnen bleef wonen binnen de grenzen van Israël. In 1967, tijdens de Zesdaagse Oorlog, werden de Gazastrook en de westelijke Jordaanoever door Israël bezet.
En zo is de situatie nu. In Israël wonen overwegend Joden. Slechts vijftien procent van de bevolking is Palestijns. De Gazastrook is sinds kort, nu daar de Joodse kolonisten vertrokken zijn, helemaal Palestijns gebied. Op de westelijke Jordaanoever wonen zo'n twee miljoen Palestijnen en tweehonderdduizend Joodse kolonisten. Zo is de situatie nu en deze situatie is vol problemen.
Maar waarom vertel ik nu deze geschiedenis? Deze geschiedenis van het land Israël? Of de geschiedenis van het land Palestina? Ik vertel deze geschiedenis, omdat ik wil laten zien dat er altijd ook andere mensen hebben gewoond in het beloofde land. Gedurende de hele geschiedenis zijn het niet alleen de Joden geweest die er gewoond hebben, maar ook allerlei andere volken.
Ik vertel deze geschiedenis, omdat ik vind dat de Joden het recht hebben om in dit land te wonen. God heeft beloofd dat het land zou zijn voor de afstammelingen van Abraham. De Joden zíjn die afstammelingen van Abraham. Zíj hebben er van oudsher gewoond of zijn er weer naar teruggekeerd. Het land behoort dus toe aan de Joden.
Ik vertel deze geschiedenis, omdat ik óók vind dat de Palestijnen het recht hebben om in dit land te wonen. Die Palestijnen van nu zijn afstammelingen van al die volken die al van oudsher in het land woonden: de Kanaänieten, de Girgasieten, de Jebusieten en al die andere -ieten, aangevuld met mensen die daar in de loop van de tijd bij zijn gekomen: Grieken, Romeinen en Arabieren. De afstammelingen dus van díé volken die van God in zijn Wet gelijke rechten en plichten hebben gekregen als de Joden. Het land behoort dus ook toe aan de Palestijnen.
Ik vertel deze geschiedenis, omdat de geschiedenis antwoord geeft op de vraag wie er nu het recht heeft om in het beloofde land, in Israël, te wonen.
Maar nu weer terug naar die “onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël” waar we het eerder over hadden. Vanmorgen hebben we ook de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters gelezen. Deze pachters, wijnbouwers, doodden de zoon van de landheer. Deze gelijkenis is altijd zó begrepen, dat de Joden de Zoon van God hadden gedood en daarom geen recht meer hadden op het koninkrijk van God.
Afgelopen vrijdag hebben we met de jongeren van de jeugdcatechisatie gekeken naar de film The Passion of The Christ. En een van hen vroeg na afloop waarom er zo veel kritiek op de film was geweest toen hij uitkwam. Ik antwoordde dat de Joden de meeste kritiek hadden geuit omdat in de film zo duidelijk werd dat het de Joden waren die ervoor gezorgd hadden dat Jezus gekruisigd werd. En Joden zijn bijzonder gevoelig voor deze interpretatie van het lijdensverhaal van Jezus. En terecht, want de kerk heeft eeuwenlang die schuld inderdaad bij het Joodse volk gelegd. Onder andere beïnvloed door een verkeerde uitleg van de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters.
Het koninkrijk van God is inderdaad gegeven aan een ander volk, namelijk aan de gehele mensheid. Maar dat sluit het Joodse volk niet uit, maar juist in. De Joden maken ook deel uit van de mensheid en delen dus in het koninkrijk van God. Het volk van het verbond was eerst alleen het Joodse volk. Maar door Jezus is de hele mensheid het volk van het verbond geworden, inclusief de Joden. De Joden zijn ons voorgegaan in het verbond met God. En daarom is er sprake van een onopgeefbare verbondenheid van de kerk en van christenen met het volk Israël.
En daarom moeten wij naast het Joodse volk gaan staan in het conflict met de Palestijnen, zoals we naast onze familieleden gaan staan als zij ruzie hebben met anderen. We moeten hen steunen in hun strijd tegen al wie de ondergang van het Joodse volk op het oog hebben. Maar dat betekent niet dat we onrechtvaardig moeten worden. Dat betekent niet dat we kritiekloos aan de kant moeten staan bij alles wat de Joden en de staat Israël doen. Dat betekent niet dat wij de Palestijnen niet kunnen steunen als zij om een rechtvaardige behandeling vragen.
Wij kunnen praktisch misschien niet zo heel veel invloed uitoefenen op de gebeurtenissen in Israël. Maar wel kunnen wij bidden voor het Joodse volk en God vragen of Hij zijn wijsheid wil schenken aan Joden en Palestijnen om het conflict op te lossen. Daarom is het vandaag immers Israëlzondag.
Amen.