Protestantse gemeente te
 
Vriescheloo
 
Merkteken PKN
Preek 17 juli 2005
 

Inhoudsopgave

Liturgie
Preek

Liturgie

Aan het begin
Aanvangslied
Psalm 128
Groet
Stil gebed
Bemoediging
Gebed
Zang- en muziekgroep Joy
De kracht van uw liefde
Aan uw voeten, Heer
Het lied van Gods liefde
Dienst van het Woord
Gebed om verlichting met de heilige Geest
Schriftlezing
Lied
Gezang 242:2, 3, 4
Preek
Lied
Gezang 334:1, 4, 5
Doop
Onderwijzing
Presentatie
Gedicht
Doopgebed
Belijdenis: afwending en toewending
Doop en handoplegging
Geloften
Verwelkoming
Lied
Gezang 434:1, 2, 4
Zang- en muziekgroep Joy
Open je ogen
Een huis om in te schuilen
Bron van levend water
Dienst van het antwoord
Gebeden
Inzameling van de gaven
Aan het einde
Slotlied
Door de wereld gaat een woord (Jan Wit)
Zegen

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vanmorgen wordt Juliëtte, dochtertje van Stefan en Esther Hansma, in deze kerk gedoopt. Dat is altijd een feestelijke gebeurtenis. Maar wat houdt dat nu eigenlijk in: gedoopt worden? Wat betekent de doop?

“Laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden,” hoorden we zojuist uit het boek Handelingen. Het is het antwoord van Petrus aan de menigte die zich op die eerste pinksterdag verzameld had. De mensen hadden aan Petrus gevraagd: “Wat moeten we doen?” Want ze hadden net van Petrus gehoord dat die Jezus die ze gekruisigd hadden door God tot Heer en messias was aangesteld. Wat moesten ze nu doen? “Laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden.” Dit antwoord van Petrus is niet zo duidelijk als het op het eerste gezicht lijkt. Want je zou het zó kunnen uitleggen dat de doop alleen je vooraf begane zonden uitwist. Dat de doop dus alleen de zonden die je al begaan hebt afwast, niet de fouten die je daarna nog zult maken.

Zo dacht tenminste keizer Constantijn de Grote erover. Aan het begin van de vierde eeuw na Christus wilde hij keizer van het Romeinse Rijk worden. Er stond echter een mededinger in de weg. En in die tijd werden mededingers niet uitgeschakeld met de kracht van argumenten, maar met wapens. Er zat dus een veldslag aan te komen tussen Constantijn en zijn rivaal. Beide legers stelden zich vlak bij Rome op. Het zou spannend worden, want ze waren aan elkaar gewaagd. Maar vlak voor de slag, zo wil het verhaal, verscheen er in de lucht vóór Constantijn een stralend kruis met bij wijze van onderschrift de woorden Overwin hiermee.

En dát deed Constantijn. En daarmee werd hij de eerste christelijke keizer. Vóór zijn tijd was het christendom verboden, maar Constantijn zorgde ervoor dat het een toegestane godsdienst werd. En zo kwam er een einde aan de vervolging van de christenen in het Romeinse Rijk.

Nu zou je verwachten dat Constantijn, toen hij eenmaal christen geworden was, zich liet dopen. Maar dat deed hij niet. Vanuit de gedachte dat de doop alleen de eerder begane zonden wegwaste, stelde hij zijn doop uit tot op zijn sterfbed. Dat leek immers de veiligste weg.

Toch had hij het fout, die Constantijn. We zullen straks zien waarom. Maar laten we eerst eens kijken wat de doop precies is. Wat is nu de betekenis van dat sacrament, waarbij wat water over het hoofd van de dopeling wordt gegoten?

Vorige week was ik een dagje in Elburg, een middeleeuws stadje op de grens van de Veluwe. En daar hoorde ik een verhaal over de gemeenschappelijke stadsweide van Elburg ergens in de Middeleeuwen. Op die stadsweide mochten de boeren van Elburg die geen eigen weide hadden hun koeien laten grazen. Maar aan het eind van de dag ontstond er natuurlijk altijd weer ruzie tussen boer Jan en boer Piet over de vraag van wie Bertha 23 nu ook al weer was. Daarom brachten ze op een gegeven moment op alle koeien een brandmerk aan, zodat duidelijk werd bij wie een koe hoorde.

En zo is het ook met de doop: het is een teken - zo u wilt: een brandmerk - dat je bij God hoort. Een teken van het verbond, de verbintenis die God gesloten heeft met Israël en de heidenen, de gemeente van Jezus Christus. En dat verbond, die verbintenis, gaat uit van God. Het is de uitgestoken hand van God, de hand die wij aannemen als we gedoopt worden, de hand ook waarin wij ons geborgen mogen weten. Maar God steekt als eerste zijn hand uit.

Vorige week zondag heeft Sietze van der Veen, de dominee zonder kerk uit Stadskanaal, in een natuurplas bij Sellingen een aantal mensen gedoopt. Op zijn internetsite las ik het volgende: “Kandidaten worden gedoopt op grond van hun geloof in het verlossend werk van Jezus Christus.” Daarmee baseert hij zich op een bijbelvers in het verhaal van Filippus en de Ethiopiër, degene die vroeger de kamerling uit Morenland werd genoemd. Maar het probleem is dat dat bijbelvers pas later aan de Bijbel is toegevoegd. Daarom is het ook uit De Nieuwe Bijbelvertaling weer weggelaten. Eigenlijk zou ik daarom eerder willen zeggen: mensen worden niet gedoopt op grond van hun geloof in Jezus Christus, maar op grond van het geloof van Jezus Christus in óns. De uitgestoken hand van God was er eerder dan ons geloof. Gods verbond gaat aan ons geloof vooraf.

En de doop is daar dan weer een teken van. Het teken dus van Gods verbond. Een teken dat je kind van God bent. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat als je niet gedoopt bent, je geen kind van God bent. Wacht even, dit is een moeilijke zin. Ik bedoel: óók als je niet gedoopt bent, ben je kind van God. De doop lijkt wat dat betreft een beetje op een trouwring. Ik draag een trouwring aan de ringvinger van mijn rechterhand. Dat is een teken dat ik getrouwd ben. Maar als ik die ring afdoe of als ik helemaal nooit een ring zou dragen, dan ben ik nog steeds getrouwd. Die ring op zich is alleen maar - in mijn geval dan - een stukje zilver. Niets meer. Maar het is een teken van mijn huwelijk. Ik heb hem van mijn vrouw gekregen. En daarmee heeft ze haar jawoord bezegeld. En daarom heeft die ring voor mij betekenis gekregen.

En zo is het ook met de doop. De doop op zich is alleen maar de besprenkeling van de dopeling met een beetje water. Niets meer. Maar het betékent wel heel wat meer. De doop is een teken van Gods verbond met ons. Met de doop bezegelt God dat wij zijn kinderen zijn en dat Hij van ons houdt. Maar niet alleen dát. De betekenis van de doop is dieper. De doop is ook een teken van Gods genade, een teken van de dood en de opstanding van Jezus Christus. “Weet u niet,” zegt Paulus in zijn brief aan de christenen in Rome, “dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om een nieuw leven te leiden, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt. Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding.”

Dat is weer typisch zo'n moeilijke Paulus-zin, maar hij bedoelt ermee dat wij door de doop deelhebben aan zowel de dood als de opstanding van Jezus Christus. De doop is daarmee een teken dat onze zonden vergeven zijn, niet alleen de zonden die we al begaan hebben op het moment van de doop, maar ál onze zonden. Om nog even terug te keren naar het begin van de preek: daarom had onze keizer Constantijn het mis toen hij dacht dat alleen de eerder begane zonden werden vergeven. De doop is een teken van onze volledige verzoening met God dóór Jezus Christus. En daarom ook een teken van onze opstanding mét Jezus Christus.

Al met al betekent de doop dus een heleboel. Het teken van de vergeving van onze zonden door de dood van Jezus aan het kruis; het teken van het leven door de opstanding met Christus; het teken dat wij bij God horen; het teken dat God van ons houdt en dat wij kinderen van God zijn.

Maar er is nog een betekenis. Want als God zegt dat wij zijn kinderen zijn, betekent dat ook dat Jezus, als eerstgeborene van God, onze oudste broer is. En dat wij elkaars broers en zussen zijn. Dat wij samen als het ware een heilig gezin vormen, een gemeenschap, een gemeente. De doop is dus ook een teken van onze opname in die gemeente van Jezus Christus. En dát maakt ons ook verantwoordelijk voor elkaar. De doop is niet maar een vrijblijvende gebeurtenis, maar vraagt onze inzet in de gemeente van Christus.

Dus ook dat is de betekenis van de doop. Onze inzet in de gemeente van Christus. Omzien naar elkaar; elkaar liefdevol tegemoettreden; elkaars geloofsleven versterken; elkaar helpen en ondersteunen; voor elkaar bidden; meewerken aan de opbouw van de gemeente; samen de weg gaan die God van ons vraagt. Dat is nogal wat: de doop betekent niet alleen veel; de doop vraagt ook veel.

Gelukkig heeft Juliëtte van dat alles nog geen weet. Zij ontvangt vandaag de doop omdat haar ouders dat plaatsvervangend voor haar hebben aangevraagd. Zelf mag zij ten volle kind van God zijn. Maar dat zij gedoopt wordt vraagt vooral wat van Stefan en Esther. Zij nemen de plicht op zich om Juliëtte niet alleen op te voeden, maar haar ook het evangelie te leren en voor te leven. De plicht ook om voor haar te bidden.

Maar ik heb de indruk dat zij die plicht niet als een last ervaren. Het ontroerde me zeer dat zij zeiden dat ze Juliëtte als een geschenk van God zien. Een geschenk van God dat ze met haar doop als het ware weer aan God willen teruggeven. Op die manier dragen zij Juliëtte aan God op. Een goed begin van haar leven.

Amen.