Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Er was eens een koning. Het lijkt wel het begin van een sprookje, maar dat is het niet. Deze koning heeft echt geleefd. Hij heette Salomo en hij werd geboren aan het begin van de tiende eeuw voor Christus in Israël. Als er toen al roddelbladen hadden bestaan, dan was het eerste bericht over zijn leven vast geweest: “Koning David en Batseba krijgen liefdesbaby!”
Want de vader van Salomo was koning David. Toen deze David eens op een keer over het dak van zijn paleis aan het wandelen was, zag hij beneden zich een mooie vrouw die een bad nam. Dat was Batseba. En hoewel David al een paar vrouwen had, had hij toch nog meer trek, zullen we maar zeggen. En zo raakte Batseba zwanger. Maar ook zij was al getrouwd. David bedacht een plan om ervoor te zorgen dat Batseba's wettige echtgenoot gedood werd, zodat hij zelf met haar kon trouwen. Dát gebeurde, maar het kind mochten ze niet houden. Als straf voor hun zonde stierf het kind.
Maar er kwam nóg een kind: Salomo. Hij was wat je tegenwoordig zou noemen: een echt zondagskind. Geboren in het koninklijke huis van Israël was hij voorbestemd om de troonopvolger van zijn vader te worden. Toen Salomo eenmaal koning was, regeerde hij over een gigantisch rijk, veel groter dan het huidige Israël. Hij trouwde, zoals koningen nu eenmaal doen, met de dochter van een andere koning: de farao van Egypte.
En Salomo was onmetelijk rijk, rijker dan enige andere koning op aarde. Om maar een voorbeeld te noemen: hij had twaalfduizend paarden en veertienhonderd wagens. Zilver was in Jeruzalem even gewoon als steen. En hij kon zwemmen in zijn goud, al lang voordat Dagobert Duck geboren werd.
Alles wat Salomo deed pakte hij grootscheeps aan. Hij trouwde niet alleen met de dochter van de farao, maar ook nog met zevenhonderd andere vrouwen. Bovendien had hij driehonderd bijvrouwen. Die Salomo had geen trek, hij was uitgehongerd! En overal in zijn land startte hij grote bouwprojecten. Hij bouwde hele steden en voor zichzelf een enorm paleis.
Het ging dus goed met koning Salomo, maar ook met zijn onderdanen ging het goed. Alle mensen hadden werk en waren welvarend. Er heerste een vrede in het land zoals er lang niet geweest was en er ook lang niet meer zou zijn. Zoals gezegd: het lijkt wel een sprookje. Toch eindigt de geschiedenis van Salomo niet met “en ze leefden nog lang en gelukkig”.
Het grootste deel van zijn leven was Salomo namelijk een goede koning in de ogen van God. Hij deed wat God van hem vroeg en hij had ontzag voor de heer. Een van de belangrijkste dingen die Salomo deed was het bouwen van een tempel, een huis voor God. En dat was natuurlijk geen kléín tempeltje, maar een kolos van een tempel. Er wordt wel gezegd dat de tempel van Salomo de grootste tempel van de oudheid was. Als je tegenwoordig uitkijkt over Jeruzalem, of als je foto's van de stad ziet, dan is het eerste wat opvalt de gouden koepel van de zogenaamde Koepel van de Rots. Dat is overigens geen moskee, zoals veel mensen denken, maar een héíligdom van de moslims.
Precies op die plek, waar nu dus de Koepel van de Rots staat, bouwde Salomo zijn tempel. En hij deed dat in opdracht van God. Het is een goed voorbeeld van de liefde en het ontzag van Salomo voor God. En zo leefde Salomo het grootste deel van zijn leven. Maar op zijn oude dag werd hij door zijn duizend vrouwen ertoe verleid andere goden te gaan dienen. En zo liep het slecht af met Salomo. Want de heer werd woedend op hem, omdat hij hem ontrouw was geworden. De straf hiervoor was dat de zoon van Salomo geen koning meer over het hele rijk zou worden. Na de dood van Salomo scheurde het rijk inderdaad in tweeën en kwamen er twee koningen. Daarna is het eigenlijk alleen maar bergafwaarts gegaan met Israël.
Dit was het leven van koning Salomo, maar over één kant van zijn persoonlijkheid heb ik nog niets verteld. Aan het begin van zijn carrière als koning verscheen God aan Salomo in een droom. “Vraag wat je wilt,” zei God, “en Ik zal het je geven.” “Heer,” zei Salomo, “schenk mij een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.”
Zo kwam Salomo aan de wijsheid waar hij zo beroemd om werd. Neem nu bijvoorbeeld het verhaal over die twee vrouwen die bij hem kwamen met die twee baby's. U kent het verhaal misschien wel. Een van die twee baby's was dood, de andere leefde. De vrouwen beweerden allebei dat zij de moeder van het levende kind waren en dat het gestorven kind van de ander was. Ze vroegen koning Salomo een uitspraak te doen. “Pak een zwaard,” zei hij tegen een van zijn bedienden, “en hak het levende kind in tweeën en geef hun ieder de helft.” De ene vrouw zei toen: “Als ík het niet krijg, krijg jij het ook niet. Hak het maar doormidden.” Maar de ander riep uit: “Nee, heer, ik smeek u, geef het kind aan haar, maar dood het alstublieft niet!” Toen wist Salomo dat de vrouw die om het leven van het kind had gesmeekt de echte moeder was.
Dat is zomaar een voorbeeld van de wijsheid van Salomo. Maar situaties met twee moeders en een dood en een levend kind maken wij niet zo vaak mee. Dus wat hebben wij aan déze wijsheid? Toch zijn er heel veel situaties in ons leven waarin wij ons afvragen: “Wat is wijsheid?” Misschien wel daarom heeft Salomo zijn wijsheid opgeschreven en aan ons nagelaten. Er wordt gezegd dat hij drieduizend spreuken heeft opgeschreven.
We hebben er vanmorgen een aantal van gelezen. Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat je er zo veel van achter elkaar leest, want wat dat betreft zijn het net bonbons. Eén of twee zijn lekker, maar als je er een hele doos van achter elkaar leegeet, word je alleen maar misselijk. Daarom stel ik voor om er maar één spreuk uit te nemen om te kijken hoe hij smaakt.
De eerste uit hoofdstuk 15 is meteen een hele mooie: “Een vriendelijk antwoord doet woede bedaren, krenkende woorden wakkeren toorn aan.” Deze spreuk staat als het ware model voor veel van de overige spreuken. Hij gaat over de manier waarop mensen met elkaar om moeten gaan. “Een vriendelijk antwoord doet woede bedaren, krenkende woorden wakkeren toorn aan.” “Ja, natuurlijk,” zult u zeggen, “dat is zo. Is die spreuk niet erg voor de hand liggend?” Zo op het eerste gezicht lijkt deze spreuk inderdaad een beetje op het intrappen van een open deur.
Maar toch. er zit veel meer diepgang in. Stelt u zich eens voor dat er iemand woedend naar u toekomt. Hij is helemaal over zijn toeren en begint tegen u te schreeuwen: “Wat je me nou toch geflikt hebt.” En dan volgt er een met veel boosheid doorspekt relaas over iets dat u helemaal verkeerd hebt aangepakt. Wat is dan uw reactie?
Ik kan u wel vertellen wat de mijne is. In eerste instantie schrik ik me helemaal wezenloos. Direct voel ik de adrenaline of de hormonen of hoe je die stoffen ook moet noemen door mijn lichaam gieren. Psychologen zeggen dan: “Het lichaam bereidt zich voor om te vechten of te vluchten.” Dat schijnt nog uit de tijd te stammen dat we allemaal in berenvellen rondliepen. Als je dan op je weg ineens een lévende beer tegenkwam, dan was het nodig dat je direct klaarstond om te vechten of te vluchten.
Maar in de omgang met andere mensen hebben we meestal die reactie helemaal niet nodig. De adrenaline schiet haar doel voorbij. Want daardoor zegt je gevoel je dat je moet vechten of vluchten. Een vluchtreactie is bijvoorbeeld dat je helemaal stil wordt van de woede-uitbarsting van de ander. Je weet gewoon niet meer wat je moet zeggen, iets waardoor de ander meestal alleen nog maar bozer wordt. Het lijkt wel alsof hij tegen een muur praat!
De vechtreactie aan de andere kant is meestal dat jíj ook boos wordt. Ook jij slingert met luide stem allerlei onvriendelijke dingen in het gezicht van de ander. Maar ook dat helpt meestal niet om de woede van de ander te doen bedaren. Integendeel: meestal eindigt het dan in een langdurige vete die nooit meer opgelost wordt. Een enkele keer kijk ik weleens op de televisie naar programma's als Het spijt me of Het familiediner. Mensen die jarenlang geen enkel contact meer met elkaar hebben omdat ze ooit eens in een grijs verleden een of andere twist hebben gehad. En als ik dan hoor waar die ruzie over ging, dan denk ik vaak: was dát nou al die ellende waard?
Vechten of vluchten? Reageren vanuit je gevoel? “Nee,” zegt koning Salomo dan, “je bent een mens, geen beest dat alleen maar naar zijn instinct luistert. Je kunt ook nádenken. Iemand anders is boos op jou - dat is geen reden om ook maar boos op die ander te worden. Je kunt de ander gelijk geven in zijn boosheid of niet, maar doe dat dan vooral vriendelijk. Want een vriendelijk antwoord doet woede bedaren, krenkende woorden wakkeren toorn aan.”
Zo beschouwd is zo'n spreuk van Salomo inderdaad een bonbonnetje. Je moet hem een tijdje in je mond houden, er langzaam op zuigen om de smaak goed tot je te laten doordringen om hem dan pas helemaal in je op te kunnen nemen. Eigenlijk zou je iedere dag of om de paar dagen eens zo'n spreuk moeten lezen en er dan een tijdje over moeten nadenken. Want dan is de kans groot dat je hem paraat hebt op het moment dat je hem nodig hebt.
De Engelsen hebben tot slot een mooie spreuk over gezondheid: “An apple a day keeps the doctor away.” Hoe zou je dat in het Nederlands moeten vertalen? Misschien wel zo: “Een appel op elk moment en de dokter verdient geen cent.” Of zoiets. Maar dat geldt voor je lichámelijke gezondheid. Voor je gééstelijke gezondheid zou ik het volgende willen zeggen: “Iedere dag een spreuk en het leven wordt weer leuk!”
Amen.